TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS
Voor de vaststelling van het gebruik en bijgevolg ook het bezit van drugs kan de directeur zich steunen op de waarnemingen van de penitentiair beambten, zoals de waarneming van de specifieke geur van een verboden substantie. Ook zonder te beschikken over gegevens die het onweerlegbaar bewijs inhouden van het tuchtfeit, zoals een analyse van de aangetroffen substantie of een drugstest, kan de gevangenisdirecteur zich redelijkerwijze steunen op de vaststellingen van zijn beambten op het vlak van de herkenning van drugs en van druggebruik. Opdat de waarneming van de geur van de verboden substantie redelijkerwijze kan leiden tot het bewijs van het tuchtfeit, is evenwel vereist dat de waarneming zorgvuldig gebeurt en dat er geen elementen zijn die meebrengen dat in de gegeven omstandigheden de beschreven geurwaarneming niet volstaat om het tuchtfeit redelijkerwijze aan de gedetineerde toe te schrijven.
De loutere bevestiging door drie penitentiair beambten van hun geurwaarneming levert veeleer uitzonderlijk als zodanig een voldoende gegeven op om in redelijkheid te kunnen besluiten tot het bewezen karakter van het bezit van een verboden substantie.
Het rapport aan de directeur vermeldt alleen dat de opsteller van het rapport, toen hij “voorbij (de) cel” van de klager liep, een “zeer sterke wietgeur” rook, dat een tweede beambte die “tot aan” deze cel kwam, eveneens die wietgeur rook en ten slotte dat ook de penitentiair assistent “bij” de cel de wietgeur waarnam. Het rapport aan de directeur vermeldt niet of de celdeur openstond en hoe wijd, of de klager op dat ogenblik rookte of wat hij deed, of de geur sterker werd waargenomen in de cel van de klager dan “aan zijn cel” en evenmin waarom het uitgesloten was dat de geur van elders kon komen. Het resultaat van de celcontrole was negatief. Ook het onderzoek aan het lichaam leverde niets op. Uit het tuchtdossier blijken geen vroegere tuchtrechtelijke veroordelingen voor het bezit van verboden substanties. De klager ontkende de feiten. De klager verklaarde tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij aan het slapen was op het ogenblik waarop hij rond half twee werd wakker gemaakt voor de naaktfouillering en dat ook hij de geur, weliswaar niet sterk, waarnam. Hij verklaarde dat de geur van elders kwam en dat het wel meermaals gebeurt dat die geur van elders tot bij hem komt. Bij gebrek aan enige bijkomende informatie in het rapport aan de directeur is er geen aanleiding om de verklaringen van de klager, in het bijzonder de verklaring dat hij aan het slapen was, bij voorbaat als onaannemelijk af te wijzen. Bij gebrek aan objectiveerbare gegevens over de omstandigheden waarin de geur van de verboden substantie werd waargenomen en in het licht van alle gegevens van deze zaak biedt de geurwaarneming onvoldoende steun om het tuchtrechtelijk feit in redelijkheid aan de klager te kunnen toeschrijven.
Voor de vaststelling van het gebruik en bijgevolg ook het bezit van drugs kan de directeur zich steunen op de waarnemingen van de penitentiair beambten, zoals de waarneming van de specifieke geur van een verboden substantie. Ook zonder te beschikken over gegevens die het onweerlegbaar bewijs inhouden van het tuchtfeit, zoals een analyse van de aangetroffen substantie of een drugstest, kan de gevangenisdirecteur zich redelijkerwijze steunen op de vaststellingen van zijn beambten op het vlak van de herkenning van drugs en van druggebruik. Opdat de waarneming van de geur van de verboden substantie redelijkerwijze kan leiden tot het bewijs van het tuchtfeit, is evenwel vereist dat de waarneming zorgvuldig gebeurt en dat er geen elementen zijn die meebrengen dat in de gegeven omstandigheden de beschreven geurwaarneming niet volstaat om het tuchtfeit redelijkerwijze aan de gedetineerde toe te schrijven.
De loutere bevestiging door drie penitentiair beambten van hun geurwaarneming levert veeleer uitzonderlijk als zodanig een voldoende gegeven op om in redelijkheid te kunnen besluiten tot het bewezen karakter van het bezit van een verboden substantie.
Het rapport aan de directeur vermeldt alleen dat de opsteller van het rapport, toen hij “voorbij (de) cel” van de klager liep, een “zeer sterke wietgeur” rook, dat een tweede beambte die “tot aan” deze cel kwam, eveneens die wietgeur rook en ten slotte dat ook de penitentiair assistent “bij” de cel de wietgeur waarnam. Het rapport aan de directeur vermeldt niet of de celdeur openstond en hoe wijd, of de klager op dat ogenblik rookte of wat hij deed, of de geur sterker werd waargenomen in de cel van de klager dan “aan zijn cel” en evenmin waarom het uitgesloten was dat de geur van elders kon komen. Het resultaat van de celcontrole was negatief. Ook het onderzoek aan het lichaam leverde niets op. Uit het tuchtdossier blijken geen vroegere tuchtrechtelijke veroordelingen voor het bezit van verboden substanties. De klager ontkende de feiten. De klager verklaarde tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij aan het slapen was op het ogenblik waarop hij rond half twee werd wakker gemaakt voor de naaktfouillering en dat ook hij de geur, weliswaar niet sterk, waarnam. Hij verklaarde dat de geur van elders kwam en dat het wel meermaals gebeurt dat die geur van elders tot bij hem komt. Bij gebrek aan enige bijkomende informatie in het rapport aan de directeur is er geen aanleiding om de verklaringen van de klager, in het bijzonder de verklaring dat hij aan het slapen was, bij voorbaat als onaannemelijk af te wijzen. Bij gebrek aan objectiveerbare gegevens over de omstandigheden waarin de geur van de verboden substantie werd waargenomen en in het licht van alle gegevens van deze zaak biedt de geurwaarneming onvoldoende steun om het tuchtrechtelijk feit in redelijkheid aan de klager te kunnen toeschrijven.
Er werd een beroepsdossier met referentie KC16/24-0164 opgestart