Ga verder naar de inhoud

BC/24-0400

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Tucht
KLACHTENPROCEDURE - TUCHT - MOTIVERING

Artikel 144, § 7 van de Basiswet voorziet niet in een kennisgeving van de tuchtbeslissing aan de advocaat van de klager. Artikel 150, § 5 van de Basiswet doet de termijn van zeven dagen lopen vanaf de dag waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Een kennisgeving van de tuchtbeslissing aan de advocaat die de gedetineerde tijdens de tuchtzitting bijstond, is daartoe niet vereist. De beginselen van behoorlijk bestuur vereisen evenmin dat de directie, naast de kennisgeving van de beslissing aan de gedetineerde zelf, deze beslissing ook ter kennis van de advocaat van de gedetineerde moet brengen opdat de beklagtermijn van zeven dagen zou beginnen te lopen. Nog afgezien van de vraag of artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens op de tuchtprocedure en de daaropvolgende beklagprocedure van toepassing is, vloeit uit het recht op een eerlijk proces evenmin voort dat een kennisgeving van de tuchtbeslissing aan de advocaat van de klager noodzakelijk is opdat de termijn voor de indiening van een klacht zou beginnen te lopen. De kennisgeving van de tuchtbeslissing aan de gedetineerde klager en de vermelding in de tuchtbeslissing van de wijze waarop, en de termijn waarbinnen de gedetineerde klager tegen de beslissing klacht kan indienen, waarborgen afdoende de mogelijkheid om zich tot de bevoegde rechter – met name de klachtencommissie – te wenden. Niets belet dat de advocaat van de klager, nadat de klager zelf de klacht met het ter beschikking gestelde klachtenformulier heeft ingediend, de gronden van de klacht nader uitwerkt.
Uit het tuchtdossier blijkt evenwel niet onomstootbaar op welke datum en welk tijdstip de tuchtbeslissing aan de klager werd overhandigd. De onzekerheid over het precieze tijdstip waarop de klager kennis kon krijgen van de tuchtbeslissing, moet in het voordeel van de klager worden uitgelegd.

Een tuchtbeslissing moet steunen op deugdelijke motieven, wat onder meer betekent dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en die de directie met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld. De materiële motiveringsplicht is geschonden wanneer de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende of onzorgvuldig bewezen feiten. Voor de beoordeling van de vraag of de directie haar beslissing heeft genomen na een zorgvuldig onderzoek van de feiten, is het tuchtdossier van belang. Wanneer het dossier dat de directie voorlegt, niet de gegevens bevat op grond waarvan de directie tot haar vaststellingen is kunnen komen, steunt de beslissing niet op deugdelijke motieven.
De klager heeft aangevoerd op een wijze die niet van elke geloofwaardigheid is ontdaan, dat hij allergisch aan cannabis is. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting voerde hij aan dat wanneer hij cannabis rookt, zijn keel opzwelt. Zijn advocaat maakte melding van medicatie die de klager moet innemen wanneer hij bijvoorbeeld tijdens de wandeling met cannabis in aanraking komt.
Noch uit de tuchtbeslissing, noch uit de stukken uit het dossier blijkt dat de directie dit verweer zorgvuldig heeft beoordeeld. De tuchtbeslissing is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en mist een deugdelijke materiële grondslag.