BC/24-0461
Ongegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
Het inrichtingshoofd diende beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel en de eerste verlenging daarvan ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Klager werd gesanctioneerd met ATV. Op basis van dezelfde RAD’s kreeg hij dezelfde dag nog een bijzondere veiligheidsmaatregel opgelegd. De maatregelen waren: (1) het ontnemen of onthouden van voorwerpen (geen scherpe of gevaarlijke voorwerpen op cel), (2) het verplicht verblijf in de aan klager toegewezen verblijfsruimte (monocel) en (3) de onderbrenging in de beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn (verblijf in een beveiligde cel aangeduid door de directie, tenzij de directeur meent dat een verblijf in een monocel mogelijk is). Het inrichtingshoofd voert in haar beroepschrift in essentie aan dat een tuchtsanctie van ATV niet kan worden gecumuleerd met een tuchtsanctie van het ontnemen van voorwerpen en het opleggen van de bijzondere veiligheidsmaatregel dus absoluut noodzakelijk was vanuit de redenering van orde en veiligheid, maar geenszins werd opgelegd met een bestraffend karakter.
De beroepscommissie verwijst naar het hierboven reeds aangehaalde artikel 143, § 3, eerste lid Basiswet, waarin duidelijk wordt bepaald dat een tuchtsanctie van ATV enkel maar kan worden opgelegd ‘met uitsluiting van de andere tuchtsancties’. De beroepscommissie wijst erop dat dit duidelijke cumulverbod niet kan worden omzeild door een bijzondere veiligheidsmaatregel tot het ontnemen of onthouden van voorwerpen op te leggen in plaats van een bijzondere tuchtsanctie van de ontzegging van het bezit van bepaalde voorwerpen. Er bestaat geen enkele twijfel over het feit dat de tuchtsanctie en de beslissing tot het opleggen van de bijzondere veiligheidsmaatregel dezelfde feitelijke grondslag hebben. Door de bijzondere veiligheidsmaatregel werd klager bovendien ondergebracht in een beveiligde cel. Klagers tuchtsanctie werd zodoende door de veiligheidsmaatregel niet enkel verzwaard met een maatregel van de ontneming of onthouding van bepaalde voorwerpen, maar bovendien ook nog eens met de onderbrenging in de beveiligde cel. De klacht werd terecht gegrond verklaard. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.
Het inrichtingshoofd diende beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel en de eerste verlenging daarvan ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Klager werd gesanctioneerd met ATV. Op basis van dezelfde RAD’s kreeg hij dezelfde dag nog een bijzondere veiligheidsmaatregel opgelegd. De maatregelen waren: (1) het ontnemen of onthouden van voorwerpen (geen scherpe of gevaarlijke voorwerpen op cel), (2) het verplicht verblijf in de aan klager toegewezen verblijfsruimte (monocel) en (3) de onderbrenging in de beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn (verblijf in een beveiligde cel aangeduid door de directie, tenzij de directeur meent dat een verblijf in een monocel mogelijk is). Het inrichtingshoofd voert in haar beroepschrift in essentie aan dat een tuchtsanctie van ATV niet kan worden gecumuleerd met een tuchtsanctie van het ontnemen van voorwerpen en het opleggen van de bijzondere veiligheidsmaatregel dus absoluut noodzakelijk was vanuit de redenering van orde en veiligheid, maar geenszins werd opgelegd met een bestraffend karakter.
De beroepscommissie verwijst naar het hierboven reeds aangehaalde artikel 143, § 3, eerste lid Basiswet, waarin duidelijk wordt bepaald dat een tuchtsanctie van ATV enkel maar kan worden opgelegd ‘met uitsluiting van de andere tuchtsancties’. De beroepscommissie wijst erop dat dit duidelijke cumulverbod niet kan worden omzeild door een bijzondere veiligheidsmaatregel tot het ontnemen of onthouden van voorwerpen op te leggen in plaats van een bijzondere tuchtsanctie van de ontzegging van het bezit van bepaalde voorwerpen. Er bestaat geen enkele twijfel over het feit dat de tuchtsanctie en de beslissing tot het opleggen van de bijzondere veiligheidsmaatregel dezelfde feitelijke grondslag hebben. Door de bijzondere veiligheidsmaatregel werd klager bovendien ondergebracht in een beveiligde cel. Klagers tuchtsanctie werd zodoende door de veiligheidsmaatregel niet enkel verzwaard met een maatregel van de ontneming of onthouding van bepaalde voorwerpen, maar bovendien ook nog eens met de onderbrenging in de beveiligde cel. De klacht werd terecht gegrond verklaard. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.