KC04/24-0351
Ongegrond
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Beveren
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
Tucht
Fouille op het lichaam
TUCHT - BVM - NAAKTFOUILLE
De klacht is vierledig en is gericht tegen
- een fouillering op het lichaam;
- een tuchtbeslissing;
- een BVM (13 november 2024);
- een BVM (19 november 2024).
Wat betreft de naaktfouille:
Klager duidt op zijn klachtenformulier aan dat hij zich wenst te beklagen over een beslissing tot fouillering op het lichaam. Hij specifieert hierbij geen datum.
Uit navraag bij het klachtenbureau, blijkt dat er geen beslissing tot fouillering op het lichaam werd genomen rond de datum van de tuchtbeslissing en BVM (13 november 2024) waarover klager zich ook beklaagt. Klager geeft in zijn klacht geen enkel aanknopingspunt om de beslissing te kaderen of te situeren in de tijd. De klacht is onduidelijk.
De klacht is niet-ontvankelijk.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 13 november 2024 een tuchtsanctie van 30 dagen ATV voor 5 inbreuken, nl.
- de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee;
- de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee;
- de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee;
- het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (allen inbreuken van de eerste categorie);
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie).
Gelet op de duidelijke vaststellingen uit de verschillende RAD en de verklaringen van klager ter zitting (waarbij hij in ieder geval toegeeft dat de gevonden voorwerpen van hem zijn en dat hij iemand heeft uitgescholden), acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten van de usb-stick en de bedreigingen/beledigingen bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
Ook wat betreft de overige feiten is de klachtencommissie van mening dat de directeur deze bewezen kon achten en ze redelijkerwijze aan klager kon toerekenen. Hoewel klager bepaalde zaken ontkent en/of verklaart ter zitting (cf. zijn verklaring over het gebroken raam en het gemanipuleerde mes), acht de klachtencommissie deze verklaringen ongeloofwaardig, gelet op de duidelijke vaststellingen in de RAD.
De klachtencommissie acht de verschillende kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd in haar tuchtbeslissing.
Klager werd gesanctioneerd voor vier inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie.
Klager kreeg de maximumsanctie opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en niet onredelijk, gelet op de veelheid aan inbreuken die zijn gepleegd en alle elementen in het dossier.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond
Wat betreft de BVM van 13 november 2024:
Uit de RAD blijkt duidelijk dat klager verschillende tuchtinbreuken van eerste en tweede categorie heeft begaan, namelijk de opzettelijke aantasting van de fysieke en psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee, het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
De directie had, zo blijkt uit de zitting in het kader van de BVM alsook uit de dossierstukken, op dat moment reeds besloten om een tuchtprocedure op te starten en om klager te sanctioneren met 30 dagen ATV (lopende van 12 november t.e.m. 12 december 2024) op basis van deze feiten.
Desondanks werd klager op diezelfde dag nog gehoord in het kader van de procedure BVM en werd diezelfde dag een BVM opgelegd. De Basiswet en Collectieve Brief nr. 156 bepalen nochtans dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, enkel de tuchtprocedure wordt opgestart.
De directie had conform de Basiswet eerst de tuchtprocedure verder moeten doorlopen, en indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, kon zij toen een BVM opleggen. Gelet op de schending van artikel 111, §2 van de Basiswet, was de beslissing om een BVM op te leggen, onwettig.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
Wat betreft de BVM van 19 november 2024:
De klachtencommissie heeft kennis genomen van de dossierstukken. Op 11 en 12 november 2024 werden drie RAD opgemaakt, naar dewelke de directie opnieuw verwijst. Uit de bestreden beslissing blijkt dat er op 13 november 2024 bijkomende RAD werden opgemaakt, waarop klager in de beveiligde cel werd geplaatst. Als gevolg van bepaalde gedragingen (klager verstoorde de orde door te bonken en zijn stoel te vernielen en gooide bij de plaatsing zijn kledij richting het personeel en zijn onderbroek in het gezicht van een beambte) en uitlatingen van klager (hij verklaarde van allerlei voorwerpen een scherp voorwerp te kunnen maken) besluit de directeur de oorspronkelijke BVM te verlengen.
De klachtencommissie herhaalt dat de directie conform de Basiswet eerst de tuchtprocedure verder had moeten doorlopen, en indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, zij toen een BVM kon opleggen. Gelet op de schending van artikel 111, §2 van de Basiswet, was ook deze beslissing om een BVM op te leggen, onwettig.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
De klacht is vierledig en is gericht tegen
- een fouillering op het lichaam;
- een tuchtbeslissing;
- een BVM (13 november 2024);
- een BVM (19 november 2024).
Wat betreft de naaktfouille:
Klager duidt op zijn klachtenformulier aan dat hij zich wenst te beklagen over een beslissing tot fouillering op het lichaam. Hij specifieert hierbij geen datum.
Uit navraag bij het klachtenbureau, blijkt dat er geen beslissing tot fouillering op het lichaam werd genomen rond de datum van de tuchtbeslissing en BVM (13 november 2024) waarover klager zich ook beklaagt. Klager geeft in zijn klacht geen enkel aanknopingspunt om de beslissing te kaderen of te situeren in de tijd. De klacht is onduidelijk.
De klacht is niet-ontvankelijk.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 13 november 2024 een tuchtsanctie van 30 dagen ATV voor 5 inbreuken, nl.
- de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee;
- de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee;
- de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee;
- het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (allen inbreuken van de eerste categorie);
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van de tweede categorie).
Gelet op de duidelijke vaststellingen uit de verschillende RAD en de verklaringen van klager ter zitting (waarbij hij in ieder geval toegeeft dat de gevonden voorwerpen van hem zijn en dat hij iemand heeft uitgescholden), acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten van de usb-stick en de bedreigingen/beledigingen bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
Ook wat betreft de overige feiten is de klachtencommissie van mening dat de directeur deze bewezen kon achten en ze redelijkerwijze aan klager kon toerekenen. Hoewel klager bepaalde zaken ontkent en/of verklaart ter zitting (cf. zijn verklaring over het gebroken raam en het gemanipuleerde mes), acht de klachtencommissie deze verklaringen ongeloofwaardig, gelet op de duidelijke vaststellingen in de RAD.
De klachtencommissie acht de verschillende kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd in haar tuchtbeslissing.
Klager werd gesanctioneerd voor vier inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie.
Klager kreeg de maximumsanctie opgelegd. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en niet onredelijk, gelet op de veelheid aan inbreuken die zijn gepleegd en alle elementen in het dossier.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond
Wat betreft de BVM van 13 november 2024:
Uit de RAD blijkt duidelijk dat klager verschillende tuchtinbreuken van eerste en tweede categorie heeft begaan, namelijk de opzettelijke aantasting van de fysieke en psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee, het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
De directie had, zo blijkt uit de zitting in het kader van de BVM alsook uit de dossierstukken, op dat moment reeds besloten om een tuchtprocedure op te starten en om klager te sanctioneren met 30 dagen ATV (lopende van 12 november t.e.m. 12 december 2024) op basis van deze feiten.
Desondanks werd klager op diezelfde dag nog gehoord in het kader van de procedure BVM en werd diezelfde dag een BVM opgelegd. De Basiswet en Collectieve Brief nr. 156 bepalen nochtans dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, enkel de tuchtprocedure wordt opgestart.
De directie had conform de Basiswet eerst de tuchtprocedure verder moeten doorlopen, en indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, kon zij toen een BVM opleggen. Gelet op de schending van artikel 111, §2 van de Basiswet, was de beslissing om een BVM op te leggen, onwettig.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
Wat betreft de BVM van 19 november 2024:
De klachtencommissie heeft kennis genomen van de dossierstukken. Op 11 en 12 november 2024 werden drie RAD opgemaakt, naar dewelke de directie opnieuw verwijst. Uit de bestreden beslissing blijkt dat er op 13 november 2024 bijkomende RAD werden opgemaakt, waarop klager in de beveiligde cel werd geplaatst. Als gevolg van bepaalde gedragingen (klager verstoorde de orde door te bonken en zijn stoel te vernielen en gooide bij de plaatsing zijn kledij richting het personeel en zijn onderbroek in het gezicht van een beambte) en uitlatingen van klager (hij verklaarde van allerlei voorwerpen een scherp voorwerp te kunnen maken) besluit de directeur de oorspronkelijke BVM te verlengen.
De klachtencommissie herhaalt dat de directie conform de Basiswet eerst de tuchtprocedure verder had moeten doorlopen, en indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, zij toen een BVM kon opleggen. Gelet op de schending van artikel 111, §2 van de Basiswet, was ook deze beslissing om een BVM op te leggen, onwettig.
Om deze redenen is de klacht gegrond.