BC/25-0048
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME – GEZONDHEIDÂ
De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen een beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime. In zijn beroepschrift (tweede en derde onderdeel van het derde middel) werpt de beroepsindiener op dat zijn voortdurende eenzame opsluiting een ernstige vorm van foltering is en dus strijdig is met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De beroepscommissie gaat vooreerst in op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verband met de relatieve isolatie van gedetineerden. De beroepscommissie merkt op dat uit het psycho-medisch verslag van de geneesheer-psychiater duidelijke negatieve effecten blijken van het afzonderingsregime op de gezondheidstoestand van de beroepsindiener. Deze negatieve effecten vinden hun oorzaak in het afzonderingsregime. De beroepscommissie is van oordeel dat er in de huidige stand van zaken onvoldoende wordt tegemoet gekomen aan de negatieve effecten van het afzonderingsregime op de gezondheidstoestand van de beroepsindiener. Zij gaat niet zover om te stellen dat er een schending voorligt van artikel 3 EVRM, maar de beslissing van de directrice-generaal om het afzonderingsregime van de beroepsindiener onverkort en quasi-ongewijzigd verder te zetten, zonder dat in afdoende bijkomende garanties of maatregelen wordt voorzien ter waarborging of verbetering van zijn (mentale) gezondheidstoestand, is onredelijk en onbillijk. Het beroep is om deze reden gegrond.