TUCHT – VERBODEN SUBSTANTIES
Het inrichtingshoofd heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht van klager tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk en gegrond werd verklaard. De directie had klager gesanctioneerd voor drie tuchtinbreuken van eerste categorie en één tuchtinbreuk van tweede categorie; het beroep van het inrichtingshoofd gaat enkel maar over de drie inbreuken van eerste categorie.
Klager werd vooreerst gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee. De waarneming van de beambte dat klager hem zou hebben vastgenomen, wordt niet ondersteund door de camerabeelden, die door de klachtencommissie werden bekeken. In haar beroepschrift gaat het inrichtingshoofd louter in op de vaststellingen van de beambte die in het RAD werden genoteerd. Zij voert niet aan of en waarom de klachtencommissie foutieve zaken zou hebben vastgesteld op de camerabeelden. De beroepscommissie ziet dan ook geen reden om anders te oordelen dan de klachtencommissie. De klachtencommissie verklaarde deze feiten terecht niet bewezen. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Klager werd vervolgens gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Op dit vlak tonen de camerabeelden volgens de klachtencommissie wel degelijk aan dat klager een werpbeweging maakte, maar er nergens zichtbaar was welk(e) voorwerp(en) werd(en) weggegooid. De beroepscommissie vindt het in tegenstelling tot de klachtencommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk dat de directie klager op dit vlak schuldig heeft verklaard aan de vermelde inbreuk. De beroepscommissie ziet geen enkele reden waarom klager, indien zich in zijn broekzak(ken) geen verboden voorwerpen bevonden, deze volledig leeghaalde en alles eruit weggooide. Het beroep is op dit vlak gegrond.
Klager werd ten slotte ook gesanctioneerd wegens het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. De beroepscommissie stelt vast dat bij de onmiddellijke tussenkomst van de beambte na een visuele vaststelling dat klager aan het bellen was met een gsm, het spontaan uittrekken van de kledij op de gang, de volledige fouillering op het lichaam én de latere celcontrole geen gsm werd gevonden. De directie heeft hiervoor geen verklaring gegeven. De louter visuele vaststelling van de beambte is in dit specifieke geval onvoldoende bewijskrachtig. De klachtencommissie verklaarde deze feiten terecht niet bewezen. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Het inrichtingshoofd heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht van klager tegen een tuchtbeslissing ontvankelijk en gegrond werd verklaard. De directie had klager gesanctioneerd voor drie tuchtinbreuken van eerste categorie en één tuchtinbreuk van tweede categorie; het beroep van het inrichtingshoofd gaat enkel maar over de drie inbreuken van eerste categorie.
Klager werd vooreerst gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee. De waarneming van de beambte dat klager hem zou hebben vastgenomen, wordt niet ondersteund door de camerabeelden, die door de klachtencommissie werden bekeken. In haar beroepschrift gaat het inrichtingshoofd louter in op de vaststellingen van de beambte die in het RAD werden genoteerd. Zij voert niet aan of en waarom de klachtencommissie foutieve zaken zou hebben vastgesteld op de camerabeelden. De beroepscommissie ziet dan ook geen reden om anders te oordelen dan de klachtencommissie. De klachtencommissie verklaarde deze feiten terecht niet bewezen. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Klager werd vervolgens gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Op dit vlak tonen de camerabeelden volgens de klachtencommissie wel degelijk aan dat klager een werpbeweging maakte, maar er nergens zichtbaar was welk(e) voorwerp(en) werd(en) weggegooid. De beroepscommissie vindt het in tegenstelling tot de klachtencommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk dat de directie klager op dit vlak schuldig heeft verklaard aan de vermelde inbreuk. De beroepscommissie ziet geen enkele reden waarom klager, indien zich in zijn broekzak(ken) geen verboden voorwerpen bevonden, deze volledig leeghaalde en alles eruit weggooide. Het beroep is op dit vlak gegrond.
Klager werd ten slotte ook gesanctioneerd wegens het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken. De beroepscommissie stelt vast dat bij de onmiddellijke tussenkomst van de beambte na een visuele vaststelling dat klager aan het bellen was met een gsm, het spontaan uittrekken van de kledij op de gang, de volledige fouillering op het lichaam én de latere celcontrole geen gsm werd gevonden. De directie heeft hiervoor geen verklaring gegeven. De louter visuele vaststelling van de beambte is in dit specifieke geval onvoldoende bewijskrachtig. De klachtencommissie verklaarde deze feiten terecht niet bewezen. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Er werd een klachtendossier met referentie KC16/25-0045 opgestart