BC/25-0176
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - PSYCHOMEDISCH VERSLAG - VERTROUWELIJK ADVIES - PROPORTIONALITEIT - CONTACTEN MET DE BUITENWERELD
De beroepscommissie stelt vast dat de psychiater beschrijft dat er sprake is van een “verdere achteruitgang” van de mentale toestand van beroepsindiener bij een “ongewijzigd regime”, aangezien “de maatregelen en het gebrek aan perspectief wegen op zijn mentaal welzijn” en “de grenzen van zijn psychische draagkracht lijken bereikt”.
Uit het psycho-medisch verslag blijkt aldus onmiskenbaar dat de negatieve effecten op het mentale welzijn van beroepsindiener hun oorzaak vinden in het afzonderingsregime waaraan hij is onderworpen, in het bijzonder gelet op de maatregelen die het sociale contact met zijn “belangrijke naasten” uitsluit.
Los van de vraag of daarmee de artikelen 3 en 8 EVRM op zichzelf werden geschonden, kon de directeur-generaal bezwaarlijk uit het psycho-medisch verslag afleiden dat de psychiater deze maatregelen zonder meer “verenigbaar” achtte met de gezondheidstoestand van beroepsindiener overeenkomstig artikel 118 § 3/1 lid 4 juncto §7 lid 4 van de basiswet.
De beroepscommsissie merkt nog ten overvloede op dat de vermelding in de bestreden beslissing dat ‘de zorgpsycholoog van de gevangenis van Dendermonde (zich) engageert om [beroepsindiener] voortaan wekelijks te zien.’ geen afbreuk doet aan het bovenstaande.
Het quasi-ongewijzigd verderzetten van de maatregelen inzake volledige uitsluiting van de bezoekers uit artikel 59 van de basiswet en de gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon, zonder garanties of maatregelen ter waarborging of verbetering van zijn (mentale) gezondheidstoestand is dan ook onredelijk en onbillijk.
4.5 De beroepscommissie besluit dat er in de bestreden beslissing niet kon worden gemotiveerd dat uit de vertrouwelijke informatie blijkt, waarom verscherpt toezicht tijdens een ‘klassiek’ glasbezoek of tijdens zijn telefonische contacten met de in het beroepschrift vermeldde personen- in combinatie met de andere veiligheidsmaatregelen- thans onvoldoende zijn om de veiligheid te waarborgen.
Tegelijkertijd heeft de directeur-generaal onvoldoende rekening gehouden met de effecten op de gezondheidstoestand van beroepsindiener van de maatregelen die de uitsluiting van sociaal contact met zijn naaste familieleden laten voortduren.
Om bovenstaande specifieke redenen wordt de bestreden beslissing gedeeltelijk vernietigd, wat betreft de maatregel van uitsluiting van (ongestoord) bezoek van de bezoekers uit artikel 59 van de basiswet en de maatregel van gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon.
Deze gedeeltelijke vernietiging kan volgens de beroepscommissie verzoend worden met de aangegeven veiligheidsrisico’s, gelet op het feit dat de andere maatregelen overeind blijven.
De beroepscommissie wijkt ten slotte niet af van het advies van de federale procureur of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de zin van artikel 158 §3/1 van de basiswet, nu louter wordt vastgesteld dat de directeur-generaal een draagwijdte geeft aan het advies die er niet mee overeenstemt.
De beroepscommissie stelt vast dat de psychiater beschrijft dat er sprake is van een “verdere achteruitgang” van de mentale toestand van beroepsindiener bij een “ongewijzigd regime”, aangezien “de maatregelen en het gebrek aan perspectief wegen op zijn mentaal welzijn” en “de grenzen van zijn psychische draagkracht lijken bereikt”.
Uit het psycho-medisch verslag blijkt aldus onmiskenbaar dat de negatieve effecten op het mentale welzijn van beroepsindiener hun oorzaak vinden in het afzonderingsregime waaraan hij is onderworpen, in het bijzonder gelet op de maatregelen die het sociale contact met zijn “belangrijke naasten” uitsluit.
Los van de vraag of daarmee de artikelen 3 en 8 EVRM op zichzelf werden geschonden, kon de directeur-generaal bezwaarlijk uit het psycho-medisch verslag afleiden dat de psychiater deze maatregelen zonder meer “verenigbaar” achtte met de gezondheidstoestand van beroepsindiener overeenkomstig artikel 118 § 3/1 lid 4 juncto §7 lid 4 van de basiswet.
De beroepscommsissie merkt nog ten overvloede op dat de vermelding in de bestreden beslissing dat ‘de zorgpsycholoog van de gevangenis van Dendermonde (zich) engageert om [beroepsindiener] voortaan wekelijks te zien.’ geen afbreuk doet aan het bovenstaande.
Het quasi-ongewijzigd verderzetten van de maatregelen inzake volledige uitsluiting van de bezoekers uit artikel 59 van de basiswet en de gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon, zonder garanties of maatregelen ter waarborging of verbetering van zijn (mentale) gezondheidstoestand is dan ook onredelijk en onbillijk.
4.5 De beroepscommissie besluit dat er in de bestreden beslissing niet kon worden gemotiveerd dat uit de vertrouwelijke informatie blijkt, waarom verscherpt toezicht tijdens een ‘klassiek’ glasbezoek of tijdens zijn telefonische contacten met de in het beroepschrift vermeldde personen- in combinatie met de andere veiligheidsmaatregelen- thans onvoldoende zijn om de veiligheid te waarborgen.
Tegelijkertijd heeft de directeur-generaal onvoldoende rekening gehouden met de effecten op de gezondheidstoestand van beroepsindiener van de maatregelen die de uitsluiting van sociaal contact met zijn naaste familieleden laten voortduren.
Om bovenstaande specifieke redenen wordt de bestreden beslissing gedeeltelijk vernietigd, wat betreft de maatregel van uitsluiting van (ongestoord) bezoek van de bezoekers uit artikel 59 van de basiswet en de maatregel van gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon.
Deze gedeeltelijke vernietiging kan volgens de beroepscommissie verzoend worden met de aangegeven veiligheidsrisico’s, gelet op het feit dat de andere maatregelen overeind blijven.
De beroepscommissie wijkt ten slotte niet af van het advies van de federale procureur of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de zin van artikel 158 §3/1 van de basiswet, nu louter wordt vastgesteld dat de directeur-generaal een draagwijdte geeft aan het advies die er niet mee overeenstemt.