Ga verder naar de inhoud

BC/25-0177

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - VERBODEN SUBSTANTIES - HERNIEUWING

De beroepscommissie wijst beroepsindiener er vooreerst op dat een tussentijdse evaluatiebeslissing in de zin van artikel 118 § 7 lid 2 op zichzelf niet geldt als een hernieuwing in de zin van het derde lid van deze bepaling.

De beroepscommissie (BC/25-0029) oordeelde eerder inzake de plaatsing in IBVR dat de opgelegde maatregelen niet buitenproportioneel waren, in de mate dat de directeur tijdens het gehoor bevestigde dat beroepsindiener wel nog naar de zorgwandeling kan gaan en dat directeur-generaal in het kader van haar verweer bevestigt dat beroepsindiener individuele ondersteuning krijgt om meer stabiliteit in zijn gedrag te verwerven.

Inzake het beroep tegen de daaropvolgende evaluatiebeslissing (BC/25-0084) zag de beroepscommissie evenmin een reden om een ander standpunt in te nemen dan de directeur-generaal, aangezien deze opnieuw had kunnen vaststellen dat beroepsindiener na de toegang tot de gemeenschappelijke wandeling wederom psychotisch gedrag vertoont.

De beroepscommissie stelt vast dat beroepsindiener vervolgens naliet om beroep in te stellen tegen de eerste hernieuwingsbeslissing van 4 april 2025 en dat de directeur-generaal begin mei 2025 opnieuw instemde met een deelname aan de gemeenschappelijke namiddagwandeling, indien de directie beslist dat zijn toestand en gedrag het toelaten.

De vorige evaluatie beslissing bevatte aldus opnieuw een mildering, zodat op die manier aan beroepsindiener wederom de kans werd gegeven om zijn gedrag te verbeteren met het oog op een uitdoving van het regime.

Thans werd zijn IBVR alsnog voor een tweede keer hernieuwd met de thans bestreden beslissing omdat beroepsindiener op 20 mei 2025 een RAD opliep waarbij in essentie werd vastgesteld dat beroepsindiener:
- een joint aan het roken was en in het bezit was van een ongekende verdachte substantie;
- wartaal uitbracht tijdens de fouillering op het lichaam.

Hoewel in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar dit recente RAD, blijkt wel dat de directie de tweede hernieuwing voorstelde gelet op dit recente rapport, waaruit wederom kan een episode van drugsgeïnduceerde psychose kan worden afgeleid. Beroepsindiener kan alleszins niet worden gevolgd dat hij niet langer onvoorspelbaar gedrag stelt.

De bestreden beslissing blijft overigens in de mogelijkheid voorzien om beroepsindiener toe te laten tot de gemeenschappelijke wandeling, wanneer zijn gedrag en toestand dit mogelijk maakt.
De gevangenisdirectie geeft hem - bij vaststelling van een gunstige toestand en correct gedrag – ook de kans om deze versoepeling te genieten, zoals reeds eerder bleek.