Ga verder naar de inhoud

BC/25-0246

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie
WANDELING- STROOMPANNE - ONTVANKELIJKHEID - OVERMACHT

De klacht gaat over het wegvallen van de wandeling, de douche, de fitness, de bibliotheek en twee videobelmomenten tijdens de week van 26 mei tot 1 juni 2025, naar aanleiding van onverwachte problemen naar aanleiding van geplande werken aan het elektriciteitsnetwerk.

Wat betreft het wegvallen van de fitness, de bibliotheek en de douche, werden de klachten evenwel ongegrond verklaard door de klachtencommissie, zodat het inrichtingshoofd thans geen belang heeft bij een herbeoordeling van de ontvankelijkheid van deze klachten.

Wat betreft het wegvallen van de twee wandelingen, steld de klachtencommissie , op goede grond vast dat de dagelijkse wandeling (artikel 79 §1 van de basiswet) een fundamenteel basisrecht is en dat de organisatie ervan, ook bij een langdurige stroompanne, onder de verantwoordelijkheid van de directeur valt.

Het feit dat deze regimebeperking algemeen en collectief werden opgelegd aan meerdere gedetineerden in verschillende secties, doet volgens de beroepscommissie niets af aan het feit dat er sprake is van een geïndividualiseerd verzuim door of namens de directeur zelf over de specifieke detentiesituatie van een gedetineerde, met een rechtstreekse impact op het grondrecht van klager om dagelijks te wandelen.

Wat betreft de beoordeling van de gegrondheid van de klacht, stelt de beroepscommissie vooreerst vast dat de klachtencommissie zich niet uitsprak over de vraag of de initiële beslissing tot annulering van de geplande wandelingen redelijk, billijk en wettig voorkomt en of er alsdusdanig sprake was van overmacht.

De beroepscommissie merkt op dat het inrichtingshoofd in haar verweer voor de klachtencommissie hoogstens uiteenzette dat de wandelingen tweemaal werden geannuleerd ‘omdat de veiligheid niet gegarandeerd kon worden’.

Nochtans spreekt de directie van ‘geplande’ werken aan het electricteitsnetwerk, zodat niet ernstig kan worden beweer dat de stroomproblemen geheel onverwacht waren.

Daargelaten de vraag waarom de veiligheid niet gegarandeerd kon worden, stelde de klachtencommissie vervolgens in ieder geval terecht vast dat uit het administratief dossier niet blijkt dat het onmogelijk was om de aldus geannuleerde wandelingen te compenseren, van zodra de stroompanne voorbij was.

De beroepscommissie volgt het inrichtingshoofd dan ook niet in haar standpunt dat er sprake is van een “ geobjectiveerde situatie van overmacht, die zich zodanig plotseling, onvoorzien en onzeker aandiende, dat het inrichtingshoofd niet aan bepaalde verplichtingen kon voldoen”.

De klachtencommissie verklaarde de klacht inzake de wandelingen dan ook terecht gegrond.

De beslissing van de directeur om geen wandelingen te organiseren en dit vervolgens met geen enkel ‘inhaalmoment’ te compenseren, is aldus wel degelijk een beslissing door of namens de directeur in de zin van artikel 148 eerste lid van de basiswet, minstens een verzuim om de wandeling alsnog te organiseren in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Dit aspect van de klacht werd dan ook terecht ontvankelijk verklaard door de klachtencommissie.