OVERPLAATSING – BIJSTAND ADVOCAAT – OVERBEVOLKING – MOTIVERING
De beroepsindiener diende beroep in tegen de beslissing van de directrice-generaal om zijn overplaatsing van de gevangenis van Ieper naar Merksplas te behouden. Hij heeft de Braziliaanse nationaliteit en er is een procedure lopende tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied. De beroepsindiener werpt zeven argumenten op waarom hij het oneens is met deze beslissing.
Het eerste argument heeft betrekking op zijn integratie en reeds opgebouwde begeleiding in Ieper. De beroepscommissie acht het niet aannemelijk gemaakt waarom de beroepsindiener niet in gelijkaardige mate bij dezelfde instanties (PSD, CAW en gevangenisarts) in de gevangenis van Merksplas zou terechtkunnen. Hetzelfde geldt voor het tweede argument, dat betrekking heeft op zijn beperkte sociale contacten en het belang van de PSD, CAW en arts. De beroepscommissie ziet niet in waarom de beroepsindiener niet bij deze diensten in de gevangenis van Merksplas zou terechtkunnen. Dat de beroepsindiener een geïsoleerde gedetineerde zou zijn, kan in dit dossier niet aan de penitentiaire administratie worden toegerekend.
Het derde argument heeft betrekking op de specifieke kwetsbaarheid van de beroepsindiener door zijn homoseksualiteit. De beroepscommissie merkt op dat de beroepsindiener gewag maakt van een ‘reëel risico dat hij opnieuw wordt blootgesteld aan vijandigheid en agressie’, doch dat hij hierbij niet verduidelijkt met welke vijandigheden of agressie hij tijdens zijn detentie in Ieper reeds zou te maken hebben gehad. De beroepsindiener vermeldt dat homoseksualiteit in een gevangeniscontext ‘vaak’ gepaard gaat met bijkomende risico’s, doch zonder te concretiseren met welke van deze zaken hij zelf reeds in aanmerking zou zijn gekomen. Het risico dat de beroepsindiener in de gevangenis van Merksplas zou worden blootgesteld aan vijandigheid en agressie is louter hypothetisch. In ieder geval kan van de penitentiaire administratie worden verwacht dat zij alles in het werk stelt om te vermijden dat een onmiddellijk risico voor de fysieke integriteit van de beroepsindiener waarvan zij kennis had of kennis moet hebben zich voordoet, ongeacht of hij in de gevangenis van Ieper of Merksplas verblijft.
Het vierde en vijfde argument gaan over het contact met de advocaten, het recht op verdediging en de lopende procedure bij de strafuitvoeringsrechtbank. De beroepscommissie verwijst naar rechtspraak van haar Franstalige evenknie. Deze oordeelde reeds dat het niet redelijk is om van de penitentiaire administratie te eisen dat zij bij haar beslissing over de plaats van detentie rekening houdt met de keuze van advocaat van een gedetineerde en de plaats waar die advocaat gewoonlijk zijn beroep uitoefent. De beroepscommissie is dezelfde mening toegedaan.
Wat betreft het zesde argument, over de overbevolking, wijst de beroepscommissie erop dat zij reeds heeft geoordeeld dat bij het bepalen van welke definitief veroordeelden kunnen worden geplaatst in een overbevolkte gevangenis, rekening moet worden gehouden met de urgentie of ernst van het belang dat elk van de definitief veroordeelden bij een plaatsing in die gevangenis kan laten gelden. De beroepsindiener vermeldt als individuele belangen zijn opgebouwde begeleiding, kwetsbaarheid en toegang tot zijn raadsman. De beroepscommissie heeft over deze argumenten geoordeeld dat geen van deze argumenten de plaatsing van de beroepsindiener in Merksplas belet. Evenmin vormen dit argumenten die een plaatsing van de beroepsindiener als definitief veroordeelde in de overbevolkte gevangenis van Ieper zouden rechtvaardigen.
Het zevende argument gaat over een ontbrekende motivering voor de plaatsing in Merksplas en waarom het alternatief van de gevangenis van Brugge niet mogelijk is. De beroepscommissie wijst erop dat in de beslissing van de DDB wordt vermeld dat de beroepsindiener zelf had aangegeven dat hij geen specifieke voorkeur had voor een bepaalde gevangenis voor het uitzitten van zijn straf. In haar beslissing over het bezwaarschrift heeft de directrice-generaal ook afdoende verduidelijkt waarom voor een strafinrichting – i.c. Merksplas – in plaats van een (verder) verblijf in Ieper werd gekozen.
Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De beroepsindiener diende beroep in tegen de beslissing van de directrice-generaal om zijn overplaatsing van de gevangenis van Ieper naar Merksplas te behouden. Hij heeft de Braziliaanse nationaliteit en er is een procedure lopende tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied. De beroepsindiener werpt zeven argumenten op waarom hij het oneens is met deze beslissing.
Het eerste argument heeft betrekking op zijn integratie en reeds opgebouwde begeleiding in Ieper. De beroepscommissie acht het niet aannemelijk gemaakt waarom de beroepsindiener niet in gelijkaardige mate bij dezelfde instanties (PSD, CAW en gevangenisarts) in de gevangenis van Merksplas zou terechtkunnen. Hetzelfde geldt voor het tweede argument, dat betrekking heeft op zijn beperkte sociale contacten en het belang van de PSD, CAW en arts. De beroepscommissie ziet niet in waarom de beroepsindiener niet bij deze diensten in de gevangenis van Merksplas zou terechtkunnen. Dat de beroepsindiener een geïsoleerde gedetineerde zou zijn, kan in dit dossier niet aan de penitentiaire administratie worden toegerekend.
Het derde argument heeft betrekking op de specifieke kwetsbaarheid van de beroepsindiener door zijn homoseksualiteit. De beroepscommissie merkt op dat de beroepsindiener gewag maakt van een ‘reëel risico dat hij opnieuw wordt blootgesteld aan vijandigheid en agressie’, doch dat hij hierbij niet verduidelijkt met welke vijandigheden of agressie hij tijdens zijn detentie in Ieper reeds zou te maken hebben gehad. De beroepsindiener vermeldt dat homoseksualiteit in een gevangeniscontext ‘vaak’ gepaard gaat met bijkomende risico’s, doch zonder te concretiseren met welke van deze zaken hij zelf reeds in aanmerking zou zijn gekomen. Het risico dat de beroepsindiener in de gevangenis van Merksplas zou worden blootgesteld aan vijandigheid en agressie is louter hypothetisch. In ieder geval kan van de penitentiaire administratie worden verwacht dat zij alles in het werk stelt om te vermijden dat een onmiddellijk risico voor de fysieke integriteit van de beroepsindiener waarvan zij kennis had of kennis moet hebben zich voordoet, ongeacht of hij in de gevangenis van Ieper of Merksplas verblijft.
Het vierde en vijfde argument gaan over het contact met de advocaten, het recht op verdediging en de lopende procedure bij de strafuitvoeringsrechtbank. De beroepscommissie verwijst naar rechtspraak van haar Franstalige evenknie. Deze oordeelde reeds dat het niet redelijk is om van de penitentiaire administratie te eisen dat zij bij haar beslissing over de plaats van detentie rekening houdt met de keuze van advocaat van een gedetineerde en de plaats waar die advocaat gewoonlijk zijn beroep uitoefent. De beroepscommissie is dezelfde mening toegedaan.
Wat betreft het zesde argument, over de overbevolking, wijst de beroepscommissie erop dat zij reeds heeft geoordeeld dat bij het bepalen van welke definitief veroordeelden kunnen worden geplaatst in een overbevolkte gevangenis, rekening moet worden gehouden met de urgentie of ernst van het belang dat elk van de definitief veroordeelden bij een plaatsing in die gevangenis kan laten gelden. De beroepsindiener vermeldt als individuele belangen zijn opgebouwde begeleiding, kwetsbaarheid en toegang tot zijn raadsman. De beroepscommissie heeft over deze argumenten geoordeeld dat geen van deze argumenten de plaatsing van de beroepsindiener in Merksplas belet. Evenmin vormen dit argumenten die een plaatsing van de beroepsindiener als definitief veroordeelde in de overbevolkte gevangenis van Ieper zouden rechtvaardigen.
Het zevende argument gaat over een ontbrekende motivering voor de plaatsing in Merksplas en waarom het alternatief van de gevangenis van Brugge niet mogelijk is. De beroepscommissie wijst erop dat in de beslissing van de DDB wordt vermeld dat de beroepsindiener zelf had aangegeven dat hij geen specifieke voorkeur had voor een bepaalde gevangenis voor het uitzitten van zijn straf. In haar beslissing over het bezwaarschrift heeft de directrice-generaal ook afdoende verduidelijkt waarom voor een strafinrichting – i.c. Merksplas – in plaats van een (verder) verblijf in Ieper werd gekozen.
Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.