BC/25-0344
Ongegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - GEZONDHEID
Ten eerste beklaagt beroepsindiener zich over het feit dat het voorstel tot hernieuwing van zijn IBVR woordelijk identiek is aan het vorige voorstel dd. 25 september 2025. Enkel de datum van het geactualiseerd verslag werd hierbij aangepast. Ten tweede vraagt beroepsindiener versoepelingen met betrekking tot tafelbezoek, telefonische contacten en de gemeenschappelijke wandeling. Wat het derde argument – omtrent de (niet-)naleving van artikel 118, §5 van de Basiswet – betreft, verwijst ook hier de directrice-generaal naar de meest recente beslissing van de beroepscommissie waarin werd geoordeeld dat de niet-naleving de rechtmatigheid van de beslissing niet aantast.
De beroepscommissie stelt vast dat de bestreden beslissing steunt op een geactualiseerd vertrouwelijk advies van 7 november 2025 conform de artikelen 117, §2 en 118, §3/1 van de Basiswet. Uit deze herevaluatie blijkt dat de veiligheidsdreiging nog steeds ernstig en actueel is, wat op dwingende wijze noopt tot het nemen van strikt noodzakelijke maatregelen. Dat bepaalde bewoordingen herhaald worden, is verklaarbaar doordat bepaalde risico’s ongewijzigd blijven.
De afwezigheid van incidenten tijdens detentie doet niet af aan het bestaan van deze dreiging aangezien het IBVR geen bestraffend oogmerk heeft maar strekt tot waarborging van de veiligheid. De beroepscommissie stelt vast dat beroepsindiener geen bijzondere redenen aanvoert die haar toelaten om overeenkomstig artikel 158, §3/1 van de Basiswet af te wijken van het vertrouwelijk advies. De opgelegde maatregelen blijven proportioneel, gelet op het risico op het plegen van nieuwe misdrijven en het verderzetten van criminele activiteiten tijdens detentie.
Beroepsindiener vraagt versoepelingen van zijn IBVR-maatregelen, met name meer en onbegeleid tafelbezoek, telefonisch contact met zijn familie en deelname aan een gemeenschappelijke wandeling. Hij voert aan dat de huidige regeling praktisch onhaalbaar is voor zijn familie. Verder stelt hij dat de motivering voor het verbod op telefonische contacten ontbreekt en dat de weigering van een gemeenschappelijke wandeling niet geïndividualiseerd is, gelet op zijn voorbeeldig gedrag en het uitblijven van tuchtsancties en bijgevolg toepasbaar is op elke gedetineerde. De beroepscommissie stelt vast dat de bestreden beslissing motiveert waarom deze versoepelingen niet kunnen worden toegestaan. Gelet op de aard van de risico’s en de leidende rol van beroepsindiener in een criminele organisatie blijven de opgelegde maatregelen proportioneel.
Wat het derde argument betreft, stelt de beroepscommissie vast dat beroepsindiener op 9 oktober 2025 werd bezocht door een verpleegkundige in plaats van een arts. Hoewel deze afwijking niet strookt met de letterlijke vereiste van artikel 118, §5 van de Basiswet, blijkt uit het dossier dat beroepsindiener in de betrokken periode wel meerdere medische contacten had, waaronder raadplegingen bij een endocrinoloog en tandarts, een bezoek door de psychiater en sinds december regelmatige celbezoeken door de huisarts. Daarnaast werden hem consultaties en kinesitherapie aangeboden, waarvan hij niet alle uitnodigingen aanvaardde. Ook onderhoudsmomenten met de directeur en PSD worden aangeboden, maar beroepsindiener maakt hier niet steeds gebruik van. Het feit dat hij één keer door een verpleegkundige werd gezien, doet geen afbreuk aan het gegeven dat er in het algemeen wel degelijk wordt voorzien in de nodige medische opvolging. De rechtmatigheid van de beslissing tot hernieuwing wordt hierdoor met andere woorden niet aangetast.
Het beroep is ongegrond.
Ten eerste beklaagt beroepsindiener zich over het feit dat het voorstel tot hernieuwing van zijn IBVR woordelijk identiek is aan het vorige voorstel dd. 25 september 2025. Enkel de datum van het geactualiseerd verslag werd hierbij aangepast. Ten tweede vraagt beroepsindiener versoepelingen met betrekking tot tafelbezoek, telefonische contacten en de gemeenschappelijke wandeling. Wat het derde argument – omtrent de (niet-)naleving van artikel 118, §5 van de Basiswet – betreft, verwijst ook hier de directrice-generaal naar de meest recente beslissing van de beroepscommissie waarin werd geoordeeld dat de niet-naleving de rechtmatigheid van de beslissing niet aantast.
De beroepscommissie stelt vast dat de bestreden beslissing steunt op een geactualiseerd vertrouwelijk advies van 7 november 2025 conform de artikelen 117, §2 en 118, §3/1 van de Basiswet. Uit deze herevaluatie blijkt dat de veiligheidsdreiging nog steeds ernstig en actueel is, wat op dwingende wijze noopt tot het nemen van strikt noodzakelijke maatregelen. Dat bepaalde bewoordingen herhaald worden, is verklaarbaar doordat bepaalde risico’s ongewijzigd blijven.
De afwezigheid van incidenten tijdens detentie doet niet af aan het bestaan van deze dreiging aangezien het IBVR geen bestraffend oogmerk heeft maar strekt tot waarborging van de veiligheid. De beroepscommissie stelt vast dat beroepsindiener geen bijzondere redenen aanvoert die haar toelaten om overeenkomstig artikel 158, §3/1 van de Basiswet af te wijken van het vertrouwelijk advies. De opgelegde maatregelen blijven proportioneel, gelet op het risico op het plegen van nieuwe misdrijven en het verderzetten van criminele activiteiten tijdens detentie.
Beroepsindiener vraagt versoepelingen van zijn IBVR-maatregelen, met name meer en onbegeleid tafelbezoek, telefonisch contact met zijn familie en deelname aan een gemeenschappelijke wandeling. Hij voert aan dat de huidige regeling praktisch onhaalbaar is voor zijn familie. Verder stelt hij dat de motivering voor het verbod op telefonische contacten ontbreekt en dat de weigering van een gemeenschappelijke wandeling niet geïndividualiseerd is, gelet op zijn voorbeeldig gedrag en het uitblijven van tuchtsancties en bijgevolg toepasbaar is op elke gedetineerde. De beroepscommissie stelt vast dat de bestreden beslissing motiveert waarom deze versoepelingen niet kunnen worden toegestaan. Gelet op de aard van de risico’s en de leidende rol van beroepsindiener in een criminele organisatie blijven de opgelegde maatregelen proportioneel.
Wat het derde argument betreft, stelt de beroepscommissie vast dat beroepsindiener op 9 oktober 2025 werd bezocht door een verpleegkundige in plaats van een arts. Hoewel deze afwijking niet strookt met de letterlijke vereiste van artikel 118, §5 van de Basiswet, blijkt uit het dossier dat beroepsindiener in de betrokken periode wel meerdere medische contacten had, waaronder raadplegingen bij een endocrinoloog en tandarts, een bezoek door de psychiater en sinds december regelmatige celbezoeken door de huisarts. Daarnaast werden hem consultaties en kinesitherapie aangeboden, waarvan hij niet alle uitnodigingen aanvaardde. Ook onderhoudsmomenten met de directeur en PSD worden aangeboden, maar beroepsindiener maakt hier niet steeds gebruik van. Het feit dat hij één keer door een verpleegkundige werd gezien, doet geen afbreuk aan het gegeven dat er in het algemeen wel degelijk wordt voorzien in de nodige medische opvolging. De rechtmatigheid van de beslissing tot hernieuwing wordt hierdoor met andere woorden niet aangetast.
Het beroep is ongegrond.