Ga verder naar de inhoud

BC/26-0016

Ongegrond Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Voorlopige maatregel Fouille op het lichaam
VOORLOPIGE MAATREGEL – FOUILLE LICHAAM

Klager heeft ten eerste beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht over een voorlopige maatregel ongegrond werd verklaard. Uit het dossier blijkt voldoende duidelijk dat klager zwaar onder invloed was, wat hij zelf niet betwist. Zoals de klachtencommissie terecht opmerkte, deed het er an sich niet toe of dit kwam door verdovende middelen (wat de meest aannemelijke verklaring is) of door een inname van te grote dosissen medicatie (wat niet aannemelijk is). Dat de directie op basis van de bovenstaande elementen heeft beslist dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de veiligheid (vooral van klagers eigen veiligheid) en zij klager daarom onder voorlopige maatregel heeft geplaatst, is wettig, redelijk en billijk. Het beroep is op dit vlak ontvankelijk, maar niet gegrond.

Klager heeft ten tweede beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zijn klacht over twee fouilleringen op het lichaam niet-ontvankelijk werd verklaard. Klager heeft steeds volgehouden dat hij naar aanleiding van zijn plaatsing in de beveiligde cel zijn eigen kledij moest uitdoen en daarna een grijs pak moest aandoen en hij zich tijdens het wisselen van de kledij moest bukken. In de procedure voor de klachtencommissie stelde de directie dat er geen fouilleringen waren gebeurd. In het kader van de beroepsprocedure heeft de directie nogmaals navraag gedaan. Er blijkt nu toch een ‘kledijwissel’ te zijn gebeurd naar aanleiding van klagers plaatsing in de beveiligde cel. Het inrichtingshoofd heeft niet geantwoord op de vragen van de beroepscommissie over deze ‘kledijwissel’. Het is dus niet duidelijk wat deze procedure inhoudt en hoe deze concreet wordt uitgevoerd. De beroepscommissie acht het op basis van alle beschikbare informatie voldoende aannemelijk gemaakt door klager dat hij werd verplicht om zich tot op het lichaam te ontkleden. Er waren, op het ogenblik van de vaststelling dat klager onder invloed was, beambten aanwezig. Aangezien klager na deze vaststelling door beambten op de beveiligde cel is geplaatst – en de kledijwissel zich ergens in deze periode heeft afgespeeld – is het eveneens aannemelijk dat het omkleden van klager gepaard ging met een effectieve controle op de correcte uitvoering van deze ‘kledijwissel’. De beroepscommissie kan nog in het midden laten of klager zich heeft moeten bukken. Zoals blijkt uit rechtspraak van de Raad van State, is er immers reeds sprake van een fouillering op het lichaam ook als er geen inspectie gebeurt van de intieme delen. De volledige ontkleding – met controle daarop – volstaat om te spreken van een fouillering op het lichaam. De beroepscommissie vindt het op basis van alle bovenstaande informatie aangetoond dat er sprake was van minstens één fouillering op het lichaam, zonder dat hieraan een (schriftelijke) beslissing van de directie ten grondslag ligt. Dit is onwettig. Het beroep is op dit vlak ontvankelijk en gegrond.