Ga verder naar de inhoud

BC/26-0092

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID

In afwachting van een wettelijke regeling van de rechtspositie van de geïnterneerde personen en bij gebrek aan andersluidende bepalingen, zijn de bepalingen van de basiswet over het tuchtregime ook op geïnterneerde personen van toepassing (artikel 167, § 1 basiswet).
Artikel 144, § 6 van de basiswet bepaalt dat de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.
Dit vereiste van schuld brengt mee dat een tuchtsanctie slechts kan worden opgelegd wanneer de verantwoordelijkheid voor de tuchtrechtelijke inbreuk aan de gedetineerde kan worden toegerekend, anders gezegd wanneer de gedetineerde zich voldoende rekenschap kon geven van de handelingen die hij verrichtte. Dit is niet het geval wanneer een gedetineerde lijdt aan een geestesstoornis die op het ogenblik van de feiten zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast.
Aangezien een persoon slechts kan worden geïnterneerd wanneer hij op het ogenblik van de interneringsbeslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast (artikel 9, § , 2° wet van 5 mei 2014 betreffende de internering), vereist de toerekening van de tuchtrechtelijke inbreuk aan een geïnterneerde persoon een beoordeling.
Weliswaar is voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de feiten aan een gedetineerde die geïnterneerd is, geen voorafgaand advies van een psychiater vereist. Niettemin moet uit het administratief dossier blijken dat de gedetineerde zich voldoende rekenschap kon geven van de handelingen die hij verrichtte en moet de tuchtbeslissing toereikend motiveren waarom dit het geval is.
Een motivering die erop neerkomt dat de klager ten aanzien van een personeelslid een bepaald gedrag ontwikkelde en ook, niettegenstaande herhaalde aanmaningen van dit personeelslid, aanhield tot wanneer andere personeelsleden erbij kwamen, gaat niet in op de psychiatrische problematiek van de klager, noch op de vraag of zowel de aanvang van het incident als het aangehouden gedrag van de klager nadien, uit zijn psychiatrische problematiek voortvloeide. De omstandigheid dat de klager zich uiteindelijk wel door de andere personeelsleden liet corrigeren, laat geen conclusie toe over het oordeelsvermogen of over de controle die de klager tijdens zijn confrontatie met het personeelslid over zijn daden had.
Deze beoordeling neemt niet weg dat in voorkomend geval nood kan bestaan aan begrenzing van dergelijk gedrag. Dergelijke begrenzing zal echter, wanneer de feiten niet aan de geïnterneerde persoon kunnen worden toegerekend, niet op tuchtrechtelijke wijze kunnen plaatsvinden.

(De gepubliceerde beslissing bevat de rechtzetting van een verschrijving in het beschikkende gedeelte van de beslissing.)