Ga verder naar de inhoud

BC/26-0127

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME – GEÏNTERNEERDE

De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal tot hernieuwing van zijn individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepsindiener is geïnterneerd, heeft een autismespectrumstoornis en een matige verstandelijke beperking. Hij heeft, sinds zijn minderjarigheid, een uitgebreide voorgeschiedenis in de psychiatrie met verschillende (gedwongen) opnames en overplaatsingen. Vanaf zijn kindertijd stelde hij doorlopend gedragsproblemen met ernstige agressie-incidenten in verschillende contexten. Aan deze basis ligt een ernstige hechtingsproblematiek en trauma gekenmerkt door jarenlange verwaarlozing en psychische en fysieke mishandeling.

Het betreft thans de negende hernieuwing van het individueel bijzonder veiligheidsregime, in ongewijzigde vorm. Er wordt maar één maatregel opgelegd, met name de uitsluiting van deelname aan volgende gemeenschappelijke of individuele activiteiten: geen deelname aan gemeenschappelijke wandeling zonder aanwezigheid van begeleiding. De beroepsindiener mag enkel deelnemen aan tuinmomenten in aanwezigheid van begeleiding en hij mag ook individueel gaan wandelen.

Uit het dossier blijkt voldoende duidelijk dat er sprake is van een voortdurende bedreiging van de interne veiligheid die uitgaat van de beroepsindiener, op basis waarvan het gerechtvaardigd is dat het individueel bijzonder veiligheidsregime wordt verdergezet. De beroepscommissie stelt ook vast dat de beroepsindiener met bijstand van zijn advocaat werd gehoord over het voorstel van de directeur en dat een helder en uitgebreid psycho-medisch verslag en medisch advies voorligt, waaruit de verenigbaarheid van de voorgestelde maatregel blijkt met zijn gezondheidstoestand en psychologische evolutie. Ook deze negende hernieuwing is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De beslissing werd niet louter gesteund op het ziektebeeld van beroepsindiener, doch wel op de concrete gedragingen – of de risico’s daartoe – die daaruit voortvloeien.

De beroepscommissie verwijst wel nog naar de mededeling van 19 januari 2026 voor het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de groep van zaken L.B. en W.D. tegen België vanwege Unia, de CTRG en het FIRM. De beroepscommissie wijst erop dat de directeur en directrice-generaal binnen het in de Basiswet voorzien kader en de daarbij bepaalde rechtsnormen een oplossing moeten trachten te vinden om het voortdurend gevaar voor de interne veiligheid in te perken dat blijkbaar uitgaat van de beroepsindiener die, overeenkomstig de bovenstaande mededeling, eigenlijk niet thuishoort in een gevangenismilieu. Dat individueel bijzondere veiligheidsregimes door de penitentiaire administratie worden gebruikt voor het ‘oplossen’ van zulke veiligheidsproblemen, is een ongewenst gevolg van het structureel in gebreke blijven van de Belgische Staat om voldoende maatregelen te nemen opdat geïnterneerde personen niet langer in de gevangenis zouden moeten verblijven doch wel in omstandigheden waarbij enerzijds de maatschappij wordt beschermd, maar anderzijds zij ook de zorg krijgen die hun toestand vereist met het oog op de maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie.

Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.