BC/26-0139
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME – GEÏNTERNEERDE
De beroepsindienster, die het statuut heeft van geïnterneerde persoon, heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepscommissie brengt in herinnering dat tot de plaatsing in zo een regime kan worden besloten wanneer uit concrete omstandigheden of uit de gedragingen van een gedetineerde blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid en wanneer is gebleken dat bepaalde controlemaatregelen en bijzondere veiligheidsmaatregelen ontoereikend zijn.
De beroepscommissie blijft er stelselmatig op wijzen dat een individueel bijzonder veiligheidsregime niet kan worden gebruikt als een zuiver zorgregime voor geïnterneerden, psychisch kwetsbare gedetineerden of prikkelbare gedetineerden.
De beroepscommissie stelt vast dat de in de beslissing vermelde incidenten die zich hebben afgespeeld sinds de plaatsing van de beroepsindienster onder bijzondere veiligheidsmaatregelen uitsluitend ordeproblemen lijken te betreffen Zij wijst in dit kader in het bijzonder op het verweer van de directrice-generaal: “De plaatsingsbeslissing verwijst evenwel naar meerdere situaties waarbij [de beroepsindienster] de orde verstoorde”. Op andere vlakken, die mogelijk op veiligheidsproblemen zouden kunnen wijzen, is de formulering van de bestreden beslissing (te) vaag (bv.: ‘bij momenten dreigend overkomen’ of ‘een geagiteerde en dreigende houding’).
De beroepscommissie is er op basis van het dossier niet van overtuigd dat er bij de beroepsindienster sprake is van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid. Zij blijkt een moeilijk beheersbare persoon te zijn, die hoofdzakelijk ordeproblemen lijkt te veroorzaken. Ordeverstoringen of dreigingen hiertoe zijn echter onvoldoende om een gedetineerde onder een individueel bijzonder veiligheidsregime te plaatsen. De indringendheid en impact op het (detentie)leven van een individueel bijzonder veiligheidsregime nopen ertoe dat uit de beslissing tot plaatsing in of hernieuwing van zo een regime zeer duidelijk naar voren komt welke concrete omstandigheden of gedragingen aantonen dat er sprake is van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid.
De beroepscommissie wijst er in haar beslissing ten slotte nog op dat de beroepsindienster eigenlijk niet thuishoort in een gevangenismilieu. Dat in het dossier van de beroepsindienster een individueel bijzondere veiligheidsregime door de penitentiaire administratie werd gebruikt voor het ‘oplossen’ van het moeilijk beheersbare karakter van de beroepsindienster en de ordeproblemen die hieruit voortvloeien, is een ongewenst gevolg van het structureel in gebreke blijven van de Belgische Staat om voldoende maatregelen te nemen opdat geïnterneerde personen niet langer in de gevangenis zouden moeten verblijven doch wel in omstandigheden waarbij enerzijds de maatschappij wordt beschermd, maar anderzijds zij ook de zorg krijgen die hun toestand vereist met het oog op de maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
De beroepsindienster, die het statuut heeft van geïnterneerde persoon, heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepscommissie brengt in herinnering dat tot de plaatsing in zo een regime kan worden besloten wanneer uit concrete omstandigheden of uit de gedragingen van een gedetineerde blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid en wanneer is gebleken dat bepaalde controlemaatregelen en bijzondere veiligheidsmaatregelen ontoereikend zijn.
De beroepscommissie blijft er stelselmatig op wijzen dat een individueel bijzonder veiligheidsregime niet kan worden gebruikt als een zuiver zorgregime voor geïnterneerden, psychisch kwetsbare gedetineerden of prikkelbare gedetineerden.
De beroepscommissie stelt vast dat de in de beslissing vermelde incidenten die zich hebben afgespeeld sinds de plaatsing van de beroepsindienster onder bijzondere veiligheidsmaatregelen uitsluitend ordeproblemen lijken te betreffen Zij wijst in dit kader in het bijzonder op het verweer van de directrice-generaal: “De plaatsingsbeslissing verwijst evenwel naar meerdere situaties waarbij [de beroepsindienster] de orde verstoorde”. Op andere vlakken, die mogelijk op veiligheidsproblemen zouden kunnen wijzen, is de formulering van de bestreden beslissing (te) vaag (bv.: ‘bij momenten dreigend overkomen’ of ‘een geagiteerde en dreigende houding’).
De beroepscommissie is er op basis van het dossier niet van overtuigd dat er bij de beroepsindienster sprake is van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid. Zij blijkt een moeilijk beheersbare persoon te zijn, die hoofdzakelijk ordeproblemen lijkt te veroorzaken. Ordeverstoringen of dreigingen hiertoe zijn echter onvoldoende om een gedetineerde onder een individueel bijzonder veiligheidsregime te plaatsen. De indringendheid en impact op het (detentie)leven van een individueel bijzonder veiligheidsregime nopen ertoe dat uit de beslissing tot plaatsing in of hernieuwing van zo een regime zeer duidelijk naar voren komt welke concrete omstandigheden of gedragingen aantonen dat er sprake is van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid.
De beroepscommissie wijst er in haar beslissing ten slotte nog op dat de beroepsindienster eigenlijk niet thuishoort in een gevangenismilieu. Dat in het dossier van de beroepsindienster een individueel bijzondere veiligheidsregime door de penitentiaire administratie werd gebruikt voor het ‘oplossen’ van het moeilijk beheersbare karakter van de beroepsindienster en de ordeproblemen die hieruit voortvloeien, is een ongewenst gevolg van het structureel in gebreke blijven van de Belgische Staat om voldoende maatregelen te nemen opdat geïnterneerde personen niet langer in de gevangenis zouden moeten verblijven doch wel in omstandigheden waarbij enerzijds de maatschappij wordt beschermd, maar anderzijds zij ook de zorg krijgen die hun toestand vereist met het oog op de maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond.