Ga verder naar de inhoud

BC/26-0254

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie
TUCHT - MEERPERSOONSCEL

Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht (artikel 144, § 6 basiswet). Deze bepaling vereist dat de tuchtrechtelijke inbreuk individueel aan de gedetineerde kan worden verweten. Een gedetineerde kan niet tuchtrechtelijk worden gesanctioneerd voor het gedrag van een andere gedetineerde.
Overeenkomstig artikel 131 van de basiswet wordt deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk gestraft op dezelfde wijze als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf. De basiswet omschrijft zelf niet het begrip ‘deelneming’ dat zij ontleent aan het strafrecht. Een strafrechtelijke invulling van dit concept is dan ook richtinggevend. Deelneming vereist dan ook in elk geval dat, in de bewoordingen van artikel 19 van het Nieuw Strafwetboek, minstens wetens en willens op betekenisvolle wijze tot de tuchtrechtelijke inbreuk wordt bijgedragen. Deelneming aan een tuchtrechtelijke inbreuk houdt dan ook geen uitzondering in op het vereiste van individuele verwijtbaarheid. Een gedetineerde kan dan ook slechts tuchtrechtelijk worden gesanctioneerd als deelnemer aan een tuchtrechtelijke inbreuk wanneer uit feiten en omstandigheden blijkt dat hij wetens en willens en op betekenisvolle wijze heeft bijgedragen tot de tuchtrechtelijke inbreuk.
De tuchtbeslissing bevat geen enkel concreet gegeven waaruit blijkt dat de klager zelf afval uit het raam heeft gegooid, dat hij zijn celgenoot op enige wijze zou hebben geholpen bij het gooien van het afval, hem ertoe zou hebben aangezet, door zijn nalaten dit zou hebben vergemakkelijkt of daarover vooraf met zijn celgenoot zou hebben overlegd. Uit het tuchtdossier blijkt niet dat de directie verder onderzoek voerde – bijvoorbeeld een confrontatie tussen beide celgenoten – dat kon bijdragen tot een beoordeling van de feiten. Het tuchtdossier laat evenmin toe de geloofwaardigheid van elk van beide celgenoten te beoordelen. De herhaalde verklaring van de klager, zowel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting als in zijn klachtenformulier, dat hij een monocel wil of dat de sanctie het gevolg is van het feit dat hij op een duocel zit samen met een gedetineerde die voor zijn dossier voor de strafuitvoeringsrechtbank geen rekening moet houden met een tuchtrechtelijke sanctie, is in elk geval een element dat bijdraagt aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. De directie kon op grond van de door haar vastgestelde gegevens de tuchtrechtelijke inbreuk niet aan de klager toerekenen.