BC/26-0289
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Geen beslissing directeur
KLACHTENPROCEDURE – GEÏNTERNEERDE – OVERPLAATSING – VOORWERPEN
Klager, die het statuut heeft van geïnterneerde persoon, heeft klacht ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zij de door klager gedane klachtafstand bevestigde. De beroepscommissie is van oordeel dat de bevestiging van een klachtafstand door de klachtencommissie – en het daarmee gepaard gaande afsluiten van het klachtendossier – nog steeds een ‘uitspraak’ van de klachtencommissie impliceert, zij het dan de uitspraak dat de klachtenprocedure door die klachtafstand onmiddellijk een einde neemt. De klachtencommissie dient er hierbij zelf over te waken dat de klachtafstand expliciet en ondubbelzinnig is, alsook vrij en weloverwogen tot stand is gekomen. Het komt in eerste instantie toe aan de klachtencommissie om hierop toe te zien. In de uitspraak van een klachtencommissie waarbij een afstand van klacht wordt bevestigd, zit dus steeds inbegrepen dat die concrete afstand expliciet en ondubbelzinnig is, alsook vrij en weloverwogen tot stand is gekomen. Er is echter geen enkele reden om het rechtsmiddel van beroep tegen zo een uitspraak uit te sluiten, wel integendeel.
De beroepscommissie is van oordeel dat er in dit dossier voldoende redenen zijn om de bevestiging van de klachtafstand te herroepen. De klachtafstand blijkt uit alle omstandigheden niet 'weloverwogen' tot stand te zijn gekomen. De beroepscommissie dient vervolgens nog te oordelen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van klagers initiële klacht. Deze klacht ging over het verloren raken van enkele persoonlijke voorwerpen na een overplaatsing. De beroepscommissie brengt de relevante regelgeving in herinnering, waaronder de in collectieve brief nr. 113 opgenomen verantwoordelijkheden van zowel de penitentiaire administratie van de gevangenis van vertrek als deze van aankomst bij de overbrenging van goederen. De beroepscommissie wijst ook op collectieve brief nr. 133 en wat er moet gebeuren indien een gedetineerde een schadevergoeding wenst indien hij schade aan of de verdwijning van zijn goederen vaststelt. De beroepscommissie brengt in herinnering dat het in bijlage 1 bij deze collectieve brief bedoelde formulier door de gedetineerde moet worden ingevuld en overhandigd zo snel mogelijk en uiterlijk veertien dagen na vaststelling van de schade. De beroepscommissie wijst erop dat op de directie ten aanzien van de gedetineerde die aan haar meldt dat hij bepaalde goederen mist, een actieve informatieplicht rust. De collectieve brieven richten zich immers tot de penitentiaire inrichtingen en niet tot de gedetineerde. De directie moet de gedetineerde op de hoogte stellen van de mogelijkheid een schadevergoeding te verkrijgen en moet hem in staat stellen het bedoelde formulier in te vullen of te laten invullen. Er kon in dit dossier van de directie worden verwacht dat zij het nodige deed om klager te informeren over de verplichtingen die hij diende te vervullen in het kader van collectieve brief nr. 133 alsook om daarna zelf de nodige stappen te ondernemen met het oog op het opmaken van een schadedossier en dit over te maken aan de Dienst Juridische Ondersteuning (‘DJO’). De directie heeft hiervoor niet het nodige gedaan. De initiële klacht is dus ontvankelijk en gegrond. De beroepscommissie draagt de directie op om alsnog een zaakschadedossier op te maken en dit te bezorgen aan de DJO. Het komt aan de DJO toe om, op basis van dit op te stellen en door te sturen zaakschadedossier, te oordelen of DG EPI aansprakelijk is voor het verlies van de goederen die verloren zijn geraakt en of DG EPI al dan niet gehouden is tot het betalen van een schadevergoeding aan klager.
Klager, die het statuut heeft van geïnterneerde persoon, heeft klacht ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij zij de door klager gedane klachtafstand bevestigde. De beroepscommissie is van oordeel dat de bevestiging van een klachtafstand door de klachtencommissie – en het daarmee gepaard gaande afsluiten van het klachtendossier – nog steeds een ‘uitspraak’ van de klachtencommissie impliceert, zij het dan de uitspraak dat de klachtenprocedure door die klachtafstand onmiddellijk een einde neemt. De klachtencommissie dient er hierbij zelf over te waken dat de klachtafstand expliciet en ondubbelzinnig is, alsook vrij en weloverwogen tot stand is gekomen. Het komt in eerste instantie toe aan de klachtencommissie om hierop toe te zien. In de uitspraak van een klachtencommissie waarbij een afstand van klacht wordt bevestigd, zit dus steeds inbegrepen dat die concrete afstand expliciet en ondubbelzinnig is, alsook vrij en weloverwogen tot stand is gekomen. Er is echter geen enkele reden om het rechtsmiddel van beroep tegen zo een uitspraak uit te sluiten, wel integendeel.
De beroepscommissie is van oordeel dat er in dit dossier voldoende redenen zijn om de bevestiging van de klachtafstand te herroepen. De klachtafstand blijkt uit alle omstandigheden niet 'weloverwogen' tot stand te zijn gekomen. De beroepscommissie dient vervolgens nog te oordelen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van klagers initiële klacht. Deze klacht ging over het verloren raken van enkele persoonlijke voorwerpen na een overplaatsing. De beroepscommissie brengt de relevante regelgeving in herinnering, waaronder de in collectieve brief nr. 113 opgenomen verantwoordelijkheden van zowel de penitentiaire administratie van de gevangenis van vertrek als deze van aankomst bij de overbrenging van goederen. De beroepscommissie wijst ook op collectieve brief nr. 133 en wat er moet gebeuren indien een gedetineerde een schadevergoeding wenst indien hij schade aan of de verdwijning van zijn goederen vaststelt. De beroepscommissie brengt in herinnering dat het in bijlage 1 bij deze collectieve brief bedoelde formulier door de gedetineerde moet worden ingevuld en overhandigd zo snel mogelijk en uiterlijk veertien dagen na vaststelling van de schade. De beroepscommissie wijst erop dat op de directie ten aanzien van de gedetineerde die aan haar meldt dat hij bepaalde goederen mist, een actieve informatieplicht rust. De collectieve brieven richten zich immers tot de penitentiaire inrichtingen en niet tot de gedetineerde. De directie moet de gedetineerde op de hoogte stellen van de mogelijkheid een schadevergoeding te verkrijgen en moet hem in staat stellen het bedoelde formulier in te vullen of te laten invullen. Er kon in dit dossier van de directie worden verwacht dat zij het nodige deed om klager te informeren over de verplichtingen die hij diende te vervullen in het kader van collectieve brief nr. 133 alsook om daarna zelf de nodige stappen te ondernemen met het oog op het opmaken van een schadedossier en dit over te maken aan de Dienst Juridische Ondersteuning (‘DJO’). De directie heeft hiervoor niet het nodige gedaan. De initiële klacht is dus ontvankelijk en gegrond. De beroepscommissie draagt de directie op om alsnog een zaakschadedossier op te maken en dit te bezorgen aan de DJO. Het komt aan de DJO toe om, op basis van dit op te stellen en door te sturen zaakschadedossier, te oordelen of DG EPI aansprakelijk is voor het verlies van de goederen die verloren zijn geraakt en of DG EPI al dan niet gehouden is tot het betalen van een schadevergoeding aan klager.
Er werd een klachtendossier met referentie KC21/26-0125 opgestart