Ga verder naar de inhoud

KC02/22-0071

Gegrond KC - Antwerpen Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - TAAL

Klager schreef zijn klachtenformulier aanvankelijk in het Frans. De Basiswet vereist nochtans dat de klacht in het Nederlands wordt opgesteld wanneer klager een klacht indient in een Vlaamse gevangenis. Aangezien de beslissing waartegen een klacht wordt ingediend duidelijk wordt weergegeven, moet een zekere soepelheid aan de dag gelegd worden. Dit standpunt lijkt in overeenstemming met de geest van de wet, nu het de bedoeling was om een laagdrempelige klachtenprocedure te voorzien. De klacht is ontvankelijk.

Klager werd gesanctioneerd met 30 dagen ATV voor feiten gekwalificeerd als het bezit of het gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken naar aanleiding van een celcontrole waarbij een gsm werd gevonden die verstopt zat achter het motorblok van de koelkast. De directie achtte de inbreuk bewezen omwille van de aanwezigheid van materiële bewijzen, zijnde de gsm achter de koelkast, en omwille van de belhistoriek van klager. Klager zou gedurende verschillende periodes (van enkele dagen tot meer dan 10 dagen) geen gebruik hebben gemaakt van zijn telefoon op cel. Sinds de vondst van de gsm zou er opnieuw dagelijks telefonisch contact geweest zijn. Zowel klager als zijn celgenoot betwisten dat de gsm van hen is.

De klachtencommissie benadrukt het belang van het vermoeden van onschuld. De Basiswet heeft dit fundamenteel beginsel ingebouwd in de tuchtprocedure en vereist dat de ten laste gelegde feiten, op grond van al het bewijsmateriaal dat ter beschikking is, bewezen worden geacht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig wordt geacht, opdat een gedetineerde tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Hieruit volgt dat niet alleen de bewijslast bij de gevangenisdirectie ligt, maar ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) moet kunnen worden toegerekend. Het louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van een gsm in zijn cel (passieve deelname, medeplichtigheid door onthouding van enige handeling) is daarbij niet voldoende. De klachtencommissie is van oordeel dat het bezit/gebruik van de gsm op basis van de ter beschikking gestelde elementen, niet in redelijkheid en billijkheid bewezen kon zijn in hoofde van klager. De klacht is gegrond.