Ga verder naar de inhoud

KC02/22-0103

Ongegrond Gegrond KC - Antwerpen Klachtencommissie Voorlopige maatregel Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING

Klager dient een klacht in tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM). De aanleiding voor de BVM zou een vechtpartij zijn geweest. Klager beweert dat hij onschuldig is en werd aangevallen. Doordat de voorlopige maatregel werd aangerekend op de duurtijd van de BVM, kan de klachtencommissie ook uitspraak doen over de voorlopige maatregel desondanks klager zich in zijn klachtenformulier niet heeft gericht tegen de voorlopige maatregel.

De klachtencommissie heeft kennis genomen van de foto’s in het dossier waarop duidelijk verwondingen te zien zijn bij klager. De directie heeft in haar verweer de aanleiding en de context van de vechtpartij geschetst. Voor de veiligheid van klager werd besloten om een voorlopige maatregel in de vorm van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte op te leggen. De klachtencommissie is in de eerste plaats van oordeel dat de beslissing niet motiveert waarom klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk zou hebben aangetast. De motivering van de beslissing is louter “zie RADD aangaande gebeurtenissen avondwandeling A”. Bovendien blijkt uit het verweer van de directie dat klager het slachtoffer was. Het opleggen van een voorlopige maatregel kan ook enkel in afwachting van een tuchtprocedure. In casu was dit niet het geval aangezien er in de motivering van de voorlopige maatregel verwezen wordt naar een RAD waarin expliciet staat dat klager het slachtoffer was. De klachtencommissie meent bijgevolg dat het nooit de bedoeling was om een tuchtprocedure op te starten waardoor er ook geen voorlopige maatregel kon worden opgelegd. De klachtencommissie vermoedt dat de directie waarschijnlijk de bedoeling had om een voorlopige maatregel op te leggen in afwachting van de BVM. Dit wordt bevestigd doordat de duurtijd van de voorlopige maatregel werd aangerekend op de duurtijd van de BVM. Dit laat de wet echter niet toe. De Basiswet voorziet niet in een voorlopige BVM in afwachting van een BVM, zoals de Basiswet wel voorziet in een voorlopige maatregel in afwachting van een tuchtbeslissing. Meer nog, de Basiswet bepaalt expliciet een oplossing wanneer de situatie geen enkel uitstel duldt. In dat geval kunnen andere personeelsleden een BVM opleggen en neemt de directeur dan een definitieve beslissing. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat er geen wettelijke basis, noch noodzaak was om een voorlopige maatregel op te leggen. De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel is onwettig. De klacht is gegrond.

De directeur nam vervolgens de volgende dag kennis van het RAD en besliste om een BVM op te leggen van 7 dagen geen CUSPO. De directeur heeft de beslissingen (initiële BVM en de verlenging) gemotiveerd. Uit de motivatie blijkt dat er ernstige aanwijzingen waren voor een gevaar van de orde en de veiligheid. Door de vechtpartij waren er veel spanningen op de afdeling waardoor er gevreesd werd voor de fysieke integriteit van klager en derden. Deze spanningen waren nog niet opgelost op het einde van de BVM waardoor een verlenging noodzakelijk was. Klager mocht gedurende de BVM’s niet deelnemen aan culturele, sportieve en ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband (geen CUSPO), zoals de gemeenschappelijke wandeling. Deze bijzondere veiligheidsmaatregel wordt voorzien door de Basiswet. Bovendien is de klachtencommissie van oordeel dat deze maatregel proportioneel en effectief is teneinde de rust onder de gedetineerden te herstellen en te behouden. Klager werd voorafgaand gehoord en kreeg de schriftelijke beslissingen betekend. De wettelijke duurtijd van de BVM's werd gerespecteerd. Zowel de initiële BVM als de verlenging werd geregistreerd in het bijzonder register. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van een BVM en de verlenging ervan niet onwettig of onredelijk was. De klacht is ongegrond.