Ga verder naar de inhoud

KC02/23-0063

Gegrond KC - Antwerpen Klachtencommissie Tucht
TUCHT - BEWIJS - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

De klachtencommissie stelt vast dat klager tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd voor twee tuchtrechtelijke inbreuken, namelijk:

- De opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee
- Het bezit of het gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk malen.

De klachtencommissie meent dat klager in zijn klacht enkel de tuchtrechtelijke inbreuk van de beschadiging betwist zodat de klachtencommissie zich beperkt tot het onderzoek van de wettigheid en de redelijkheid en billijkheid van deze tuchtrechtelijke inbreuk. Volgens het rapport aan de directeur (RAD) werd klager tijdens een celcontrole op zijn cel geplaatst in een leslokaal. Toen de celcontrole was afgelopen, werd klager opnieuw begeleid naar zijn cel. Nadien bleek het leslokaal gevandaliseerd te zijn. Er was met een permanente marker op de muren en het bord geschreven waardoor deze beschadigd zijn. De klachtencommissie stelt in eerste instantie vast dat klager de beschadigingen niet heeft toegegeven in tegenstelling tot hetgeen wordt beweerd in de motivering van de tuchtbeslissing. De directie meent daarnaast dat de schuld van klager bewezen is omwille van de aanwezigheid van materiële bewijzen. De klachtencommissie is echter van oordeel dat enkel met zekerheid kan gesteld worden dat er beschadigingen werden aangericht in het leslokaal terwijl klager daar zat te wachten samen met zijn twee celgenoten. De klachtencommissie besluit bijgevolg dat de directie op basis van al het bewijsmateriaal, de beschadigingen niet in redelijkheid en billijkheid bewezen kon verklaren in hoofde van klager. De klachtencommissie stelt vast dat de directie tot hetzelfde besluit kwam als de klachtencommissie aangezien de directie in haar verweer stelde dat het niet gezegd is dat klager de beschadigingen aanbracht. Desondanks de directie dus van oordeel was dat de feiten niet waren bewezen in hoofde van klager, heeft zij toch een sanctie opgelegd. Dit betreft een schending van het vermoeden van onschuld. De directie achtte klager echter toch schuldig omdat het absoluut ondenkbaar was dat hij niet wist welke van zijn twee celgenoten de dader was. Het is volgens de directie echter onmogelijk de muur en het bord te bekladden zonder dit te zien.
Artikel 131 van de Basiswet stelt dat de deelneming aan een tuchtinbreuk bestraft wordt met dezelfde straffen als de tuchtinbreuken zelf. Om medeplichtig te zijn aan een tuchtinbreuk, moet echter een daad van medeplichtigheid gesteld zijn. De gedetineerde moet daarbij de dader hebben geholpen of hebben bijgestaan in daden die de inbreuk hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. De directie haalt in haar motivering van de tuchtbeslissing geen zo’n daad van medeplichtigheid aan. Het volstaat niet om louter op de hoogte te zijn van een tuchtinbreuk. Er is immers een internationale consensus dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn, aangezien dergelijke aanname leidt tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling. Hierbij riskeren in het bijzonder zwakkere gedetineerden uitgebuit te worden. Het niet-melden (“verklikken”) kan dan ook bezwaarlijk begrepen worden als “deelname” aan een tuchtinbreuk overeenkomstig artikel 131 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing in zoverre de feiten gekwalificeerd worden als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee. Voor het overige blijft de tuchtbeslissing bestaan.

De gedeeltelijke vernietiging heeft weliswaar geen invloed op de wettelijk toegestane maximum sanctie. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van dertig ATV wettig was.