KC02/24-0167
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Antwerpen
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERBODEN VOORWERPEN - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - MOTIVERING - ARBEID - ONTSLAG - BEVOEGDHEID
De klacht betreft de tuchtbeslissing en de beslissing tot afzetting van werk van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Het dossier bevat twee rapporten aan de directeur (RAD). Het eerste RAD beschrijft hoe klager werd aangesproken door een andere werker dat hij te weinig werkte. Klager zou daarop respectloos hebben gereageerd en beledigende dingen hebben gezegd. Het RAD stelt dat er vervolgens een schermutseling ontstond, waarna klager terug op cel werd gestuurd om verdere ruzie te vermijden.
Op het eerste RAD werd in pen toegevoegd dat er ook bijkomend meldingen bij de directie zijn binnengekomen van het feit dat klager zijn job zou misbruiken om verboden goederen te smokkelen in kledijpakketten. Tegen betaling in tabak & drugs zou klager bepaalde gedetineerden ook van extra kledij voorzien. Het tweede RAD betreft het verslag van een celcontrole. Het RAD stelt dat daarbij verschillende verboden substanties en verboden voorwerpen werden aangetroffen.
Naar aanleiding van deze RAD’s werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuken “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”, “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen
of substanties”. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager het bezit van een aantal zaken toe, zoals de “bolletjes” van de regie. Met de restanten van drugs zou hij niets mee te maken hebben. Hij ontkent ook dat hij smokkelt d.m.v. de pakketten en geeft aan dat hij er eigenlijk in geluisd is door een zekere Timothy, die hem nog kent van vroeger.
De tuchtbeslissing bevat echter enkel een motivering voor wat betreft de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”. Hieruit blijkt duidelijk voor welke feiten klager werd gesanctioneerd en waarom de sanctie werd opgelegd. De feiten zijn dan ook bewezen, de tuchtbeslissing werd met betrekking tot deze tuchtinbreuk afdoende
gemotiveerd. De tuchtinbreuken “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” worden echter op geen enkele manier gemotiveerd in de tuchtbeslissing. Enkel de vermelding “hij de feiten gedeeltelijk toegeeft” zou hierover kunnen gaan, maar waarover men het dan precies heeft, wordt niet geconcretiseerd. Deze tuchtinbreuken worden niet afdoende gemotiveerd in lijn met artikel 8 van de Basiswet en kunnen dan ook niet weerhouden worden. Om deze redenen is de klacht gedeeltelijk gegrond.
Wat betreft de afzetting van werk:
Klager stelt in zijn klacht dat hij omwille van valse geruchten niet meer mag werken in de kleedkamer. De directie bevestigt in haar verweer dat klager momenteel tewerkgesteld wordt in de regie, na
afloop van zijn tuchtsanctie van 30 dagen verbod op werk in gemeenschappelijk verband. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager akkoord ging met een verandering van werk van de kleedkamer naar de regie. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat het niet gaat om een beslissing van de directeur, maar een vrijwillige verandering van werk van klager.
De klacht is niet-ontvankelijk.
De klacht betreft de tuchtbeslissing en de beslissing tot afzetting van werk van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
Het dossier bevat twee rapporten aan de directeur (RAD). Het eerste RAD beschrijft hoe klager werd aangesproken door een andere werker dat hij te weinig werkte. Klager zou daarop respectloos hebben gereageerd en beledigende dingen hebben gezegd. Het RAD stelt dat er vervolgens een schermutseling ontstond, waarna klager terug op cel werd gestuurd om verdere ruzie te vermijden.
Op het eerste RAD werd in pen toegevoegd dat er ook bijkomend meldingen bij de directie zijn binnengekomen van het feit dat klager zijn job zou misbruiken om verboden goederen te smokkelen in kledijpakketten. Tegen betaling in tabak & drugs zou klager bepaalde gedetineerden ook van extra kledij voorzien. Het tweede RAD betreft het verslag van een celcontrole. Het RAD stelt dat daarbij verschillende verboden substanties en verboden voorwerpen werden aangetroffen.
Naar aanleiding van deze RAD’s werd de tuchtprocedure opgestart voor de tuchtinbreuken “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”, “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen
of substanties”. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager het bezit van een aantal zaken toe, zoals de “bolletjes” van de regie. Met de restanten van drugs zou hij niets mee te maken hebben. Hij ontkent ook dat hij smokkelt d.m.v. de pakketten en geeft aan dat hij er eigenlijk in geluisd is door een zekere Timothy, die hem nog kent van vroeger.
De tuchtbeslissing bevat echter enkel een motivering voor wat betreft de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”. Hieruit blijkt duidelijk voor welke feiten klager werd gesanctioneerd en waarom de sanctie werd opgelegd. De feiten zijn dan ook bewezen, de tuchtbeslissing werd met betrekking tot deze tuchtinbreuk afdoende
gemotiveerd. De tuchtinbreuken “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” worden echter op geen enkele manier gemotiveerd in de tuchtbeslissing. Enkel de vermelding “hij de feiten gedeeltelijk toegeeft” zou hierover kunnen gaan, maar waarover men het dan precies heeft, wordt niet geconcretiseerd. Deze tuchtinbreuken worden niet afdoende gemotiveerd in lijn met artikel 8 van de Basiswet en kunnen dan ook niet weerhouden worden. Om deze redenen is de klacht gedeeltelijk gegrond.
Wat betreft de afzetting van werk:
Klager stelt in zijn klacht dat hij omwille van valse geruchten niet meer mag werken in de kleedkamer. De directie bevestigt in haar verweer dat klager momenteel tewerkgesteld wordt in de regie, na
afloop van zijn tuchtsanctie van 30 dagen verbod op werk in gemeenschappelijk verband. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager akkoord ging met een verandering van werk van de kleedkamer naar de regie. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat het niet gaat om een beslissing van de directeur, maar een vrijwillige verandering van werk van klager.
De klacht is niet-ontvankelijk.