TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - HUISHOUDELIJK REGLEMENT
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor
- het bezit van of de handel in door of krachtens de et verboden voorwerpen of substanties
- het niet-naleven van de in het huishoudelijk regelement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde.
Ten aanzien van klager werd een RAD opgesteld.
Op de tuchtrechtelijke hoorzitting confronteert de directie klager met de gevonden drugs en koffie. Klager reageert hierop door te stellen “drugs… Maar nee, 1 joint.” Volgens de directie ging het om méér dan één joint. Klager reageert hierop “ja maar…” en maakt zijn zin niet af. Klager ontkent niet dat de pot koffie niet van hem was.
De directie achtte de tuchtinbreuken als bewezen.
De klachtencommissie merkt op dat klager de feiten toegeeft: hij ontkent niet dat er drugs werden gevonden op zijn lichaam. Hij brengt hier enkel tegenin dat het slechts om één joint ging. De directie meent dat dit onjuist is. Klager brengt hier niets tegenin, behalve een “ja maar…”. Ook wat betreft de koffie, ontkent klager dit niet. De klachtencommissie meent dat de directie de tuchtrechtelijke feiten dus als bewezen kon beschouwen en kwalificeren als het bezit van verboden substanties en een inbreuk op het huishoudelijk reglement, meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde. Hoewel de directie niet uitdrukkelijk verwijst naar een specifieke pagina (of bepaling) uit het huishoudelijk regelement, is het duidelijk dat zij verwijst naar de bepalingen inzake het bezit van goederen die voorschrijven dat goederen niet mogen worden doorgegeven. De directie wijst hier ook op tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting (“Adv: het gaat over een pot koffie… Dir: ook dat mag niet doorgegeven worden […]”). De klachtencommissie meent dat klager hiermee voldoende weet wat
hem ten laste wordt gelegd en waarom. De directie heeft dan ook voldaan aan haar motiveringsplicht.
Klager kreeg een tuchtsanctie opgelegd van 15 dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken, in casu een tuchtinbreuk van de eerste categorie (verboden substanties). De maximumsanctie voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is 30 dagen ATV. De sanctie van 15 dagen ATV is in elk geval dus wettelijk.
De klachtencommissie acht de sanctie bovendien niet onredelijk, gegeven het tuchtrechtelijk verleden van klager. In 2024 werd klager al tweemaal gesanctioneerd voor dezelfde tuchtinbreuken, wat hem in een staat van recidive plaatst. Om bovenstaande redenen is de klacht ongegrond.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor
- het bezit van of de handel in door of krachtens de et verboden voorwerpen of substanties
- het niet-naleven van de in het huishoudelijk regelement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde.
Ten aanzien van klager werd een RAD opgesteld.
Op de tuchtrechtelijke hoorzitting confronteert de directie klager met de gevonden drugs en koffie. Klager reageert hierop door te stellen “drugs… Maar nee, 1 joint.” Volgens de directie ging het om méér dan één joint. Klager reageert hierop “ja maar…” en maakt zijn zin niet af. Klager ontkent niet dat de pot koffie niet van hem was.
De directie achtte de tuchtinbreuken als bewezen.
De klachtencommissie merkt op dat klager de feiten toegeeft: hij ontkent niet dat er drugs werden gevonden op zijn lichaam. Hij brengt hier enkel tegenin dat het slechts om één joint ging. De directie meent dat dit onjuist is. Klager brengt hier niets tegenin, behalve een “ja maar…”. Ook wat betreft de koffie, ontkent klager dit niet. De klachtencommissie meent dat de directie de tuchtrechtelijke feiten dus als bewezen kon beschouwen en kwalificeren als het bezit van verboden substanties en een inbreuk op het huishoudelijk reglement, meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde. Hoewel de directie niet uitdrukkelijk verwijst naar een specifieke pagina (of bepaling) uit het huishoudelijk regelement, is het duidelijk dat zij verwijst naar de bepalingen inzake het bezit van goederen die voorschrijven dat goederen niet mogen worden doorgegeven. De directie wijst hier ook op tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting (“Adv: het gaat over een pot koffie… Dir: ook dat mag niet doorgegeven worden […]”). De klachtencommissie meent dat klager hiermee voldoende weet wat
hem ten laste wordt gelegd en waarom. De directie heeft dan ook voldaan aan haar motiveringsplicht.
Klager kreeg een tuchtsanctie opgelegd van 15 dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken, in casu een tuchtinbreuk van de eerste categorie (verboden substanties). De maximumsanctie voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie is 30 dagen ATV. De sanctie van 15 dagen ATV is in elk geval dus wettelijk.
De klachtencommissie acht de sanctie bovendien niet onredelijk, gegeven het tuchtrechtelijk verleden van klager. In 2024 werd klager al tweemaal gesanctioneerd voor dezelfde tuchtinbreuken, wat hem in een staat van recidive plaatst. Om bovenstaande redenen is de klacht ongegrond.