KC02/25-0035
Gegrond
KC - Antwerpen
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE OP HET LICHAAM - BEVEILIGDE CEL - MOTIVERING - TUCHT - CAMERABEELDEN - ZORGVULDIGHEIDSPLICHT
De klacht is tweeledig en betreft:
- de voorlopige maatregel van 11 februari 2025;
- de tuchtbeslissing van 14 februari 2025.
Beide beslissingen werden genomen door de directie van de gevangenis van Antwerpen.
De klacht over de voorlopige maatregel is gegrond:
Klager kreeg in dit geval een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager werd hiervoor in een beveiligde cel geplaatst en op het lichaam gefouilleerd. Voor de motivering van de voorlopige maatregel wordt volledig verwezen naar het RAD dat eerder die dag ten aanzien van klager werd opgesteld. De directie motiveert echt niet in zijn beslissing waarom de situatie een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid inhield. De klachtencommissie is van oordeel dat deze motivatie niet voldoet en een schending inhoudt van de motiveringsverplichting die op de directie rust.
De klacht tegen de voorlopige maatregel is gegrond.
De klacht over de tuchtbeslissing is gegrond:
Klager beklaagt zich over de tuchtbeslissing van 14 februari 2025, die ten aanzien van hem genomen werd. De voorwaarden waaronder de directeur zo’n beslissingen kan nemen, zijn wettelijk vastgelegd. De tuchtbeslissing is gebaseerd op een RAD van 11 februari 2025. Klager kreeg in voorliggende zaak 20 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuk: “De opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee.”
De tuchtbeslissing werd gemotiveerd via verwijzing naar het RAD. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen.
In dit geval werd door klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting aan de directie reeds verzocht om de camerabeelden te bekijken voor het nemen van de beslissing, aangezien de feiten zoals beschreven volgens hem niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Hier werd op dat moment niet verder op ingegaan. In haar schriftelijk verweer meldt de directie dat er via consultatie van de camerabeelden uiteindelijk werd vastgesteld dat klager feitelijk niet geslagen heeft of op een andere manier fysiek is geweest. Hij nam wel nog een agressieve houding aan tijdens het bezoek.
Aangezien er in het tuchtverslag geen melding wordt gemaakt van deze beelden, beoordeelt de klachtencommissie dat deze pas na het nemen van de beslissing bekeken zijn. In het verweer wordt ook pas gesproken over een consultatie van de beelden tijdens de registratie ervan, met oog op een melding aan het parket.
Aangezien het hier gaat om de beschrijving van een zeer ernstige situatie, waarvan beelden bestaan die eveneens aan het parket doorgestuurd zouden worden met oog op een melding van strafbare feiten, begrijpt de klachtencommissie niet waarom de camerabeelden niet eerder bekeken werden. Rekening houdende met de aanhoudende ontkenning van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie in dit geval onvoldoende onderzoek heeft verricht om de waarheid te achterhalen.
De klachtencommissie concludeert dat het betrokken RAD, waarop de tuchtbeslissing gebaseerd is, niet overeenkomt met het werkelijke verloop van de feiten zoals getoond op de camerabeelden van het moment in kwestie. De tuchtbeslissing die ten aanzien van klager genomen is, werd aldus in grote mate gemotiveerd op basis van ‘onjuiste’ feiten. Om deze redenen moet de beslissing als onwettig beschouwd worden. De klachtencommissie acht de ten laste gelegde tuchtinbreuk niet als bewezen. Om deze redenen is de klacht gegrond.
De klacht is tweeledig en betreft:
- de voorlopige maatregel van 11 februari 2025;
- de tuchtbeslissing van 14 februari 2025.
Beide beslissingen werden genomen door de directie van de gevangenis van Antwerpen.
De klacht over de voorlopige maatregel is gegrond:
Klager kreeg in dit geval een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager werd hiervoor in een beveiligde cel geplaatst en op het lichaam gefouilleerd. Voor de motivering van de voorlopige maatregel wordt volledig verwezen naar het RAD dat eerder die dag ten aanzien van klager werd opgesteld. De directie motiveert echt niet in zijn beslissing waarom de situatie een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid inhield. De klachtencommissie is van oordeel dat deze motivatie niet voldoet en een schending inhoudt van de motiveringsverplichting die op de directie rust.
De klacht tegen de voorlopige maatregel is gegrond.
De klacht over de tuchtbeslissing is gegrond:
Klager beklaagt zich over de tuchtbeslissing van 14 februari 2025, die ten aanzien van hem genomen werd. De voorwaarden waaronder de directeur zo’n beslissingen kan nemen, zijn wettelijk vastgelegd. De tuchtbeslissing is gebaseerd op een RAD van 11 februari 2025. Klager kreeg in voorliggende zaak 20 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuk: “De opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee.”
De tuchtbeslissing werd gemotiveerd via verwijzing naar het RAD. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen.
In dit geval werd door klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting aan de directie reeds verzocht om de camerabeelden te bekijken voor het nemen van de beslissing, aangezien de feiten zoals beschreven volgens hem niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Hier werd op dat moment niet verder op ingegaan. In haar schriftelijk verweer meldt de directie dat er via consultatie van de camerabeelden uiteindelijk werd vastgesteld dat klager feitelijk niet geslagen heeft of op een andere manier fysiek is geweest. Hij nam wel nog een agressieve houding aan tijdens het bezoek.
Aangezien er in het tuchtverslag geen melding wordt gemaakt van deze beelden, beoordeelt de klachtencommissie dat deze pas na het nemen van de beslissing bekeken zijn. In het verweer wordt ook pas gesproken over een consultatie van de beelden tijdens de registratie ervan, met oog op een melding aan het parket.
Aangezien het hier gaat om de beschrijving van een zeer ernstige situatie, waarvan beelden bestaan die eveneens aan het parket doorgestuurd zouden worden met oog op een melding van strafbare feiten, begrijpt de klachtencommissie niet waarom de camerabeelden niet eerder bekeken werden. Rekening houdende met de aanhoudende ontkenning van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie in dit geval onvoldoende onderzoek heeft verricht om de waarheid te achterhalen.
De klachtencommissie concludeert dat het betrokken RAD, waarop de tuchtbeslissing gebaseerd is, niet overeenkomt met het werkelijke verloop van de feiten zoals getoond op de camerabeelden van het moment in kwestie. De tuchtbeslissing die ten aanzien van klager genomen is, werd aldus in grote mate gemotiveerd op basis van ‘onjuiste’ feiten. Om deze redenen moet de beslissing als onwettig beschouwd worden. De klachtencommissie acht de ten laste gelegde tuchtinbreuk niet als bewezen. Om deze redenen is de klacht gegrond.