KC02/25-0223
Gegrond
KC - Antwerpen
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
ART. 3 EVRM
De klacht is gericht tegen het feit dat er op de tweepersoonscel van klager een derde persoon werd ondergebracht (die op de grond diende te slapen).
Het EHRM stelde dat er een sterk vermoeden is dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling, wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3m² in een meerpersoonscel. Naar analogie met het Europees Comité ter Preventie van Foltering, stelt het EHRM dat sanitaire voorzieningen niet mogen meegerekend worden in de totale oppervlakte van de cel.
Uit de schriftelijke informatie van de directie blijkt dat de cellen niet voldoen aan de vereiste afmetingen door het EHRM wanneer de gedetineerden met drie op een tweepersoonscel worden geplaatst. Er is in dit geval dus wel degelijk een sterk vermoeden dat de opsluiting van klager in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling.
Het sterk vermoeden kan volgens het EHRM weerlegd worden indien cumulatief aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
1. De inperkingen van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3 m² zijn kort, incidenteel en gering;
2. De inperkingen gaan gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel;
3. De gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden detentie-inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn of haar detentie.
Op het moment van het schrijven van de klacht, verbleef klager met drie personen op cel. De derde celgenoot is uiteindelijk (zo vermoedt de advocaat) zo’n twee weken gebleven en werd daarna vervangen door een andere persoon.
De klachtencommissie stelt vast dat de mogelijkheden in de overbevolkte gevangenis van Antwerpen om aan voldoende activiteiten buiten de cel deel te nemen beperkt zijn en dat er dikwijls wachtlijsten zijn. Uit het dossier blijkt niet dat klager werk had gedurende deze periode, en bijvoorbeeld hierdoor de cel regelmatig kon verlaten.
Klager kaart in zijn klacht ook aan dat hij kampt met een medische problematiek (aan zijn darmen), waardoor hij moeilijk naar het toilet kan in het bijzijn van zijn celgenoten. Uit de aanvullende informatie van de directie blijkt ook dat het sanitair niet wordt afgescheiden van de rest van de cel. Het EHRM stelt dat de blootstelling aan passief roken en het gebrek aan privacy bij het gebruik van het toilet verzwarende elementen zijn om te kunnen besluiten tot onmenselijke behandeling en dus tot een schending van art. 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het overbevolkingsprobleem in de gevangenis van Antwerpen (en bij uitbreiding: verschillende Belgische gevangenissen) is een gekend probleem. De klachtencommissie heeft begrip voor de specifieke situatie voor het arresthuis van Antwerpen en het feit dat de directie nagenoeg geen invloed heeft op de instroom of uitstroom van gedetineerden. Zoals de directeur ter zitting stelt, ziet ook de directie de schrijnende situatie met lede ogen aan.
Uit bovenstaande blijkt echter dat het vermoeden van strijdigheid met het verbod op een onmenselijke behandeling in dit geval niet kan worden weerlegd. De situatie waarin klager verbleef, was in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
De klacht is gericht tegen het feit dat er op de tweepersoonscel van klager een derde persoon werd ondergebracht (die op de grond diende te slapen).
Het EHRM stelde dat er een sterk vermoeden is dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling, wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3m² in een meerpersoonscel. Naar analogie met het Europees Comité ter Preventie van Foltering, stelt het EHRM dat sanitaire voorzieningen niet mogen meegerekend worden in de totale oppervlakte van de cel.
Uit de schriftelijke informatie van de directie blijkt dat de cellen niet voldoen aan de vereiste afmetingen door het EHRM wanneer de gedetineerden met drie op een tweepersoonscel worden geplaatst. Er is in dit geval dus wel degelijk een sterk vermoeden dat de opsluiting van klager in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling.
Het sterk vermoeden kan volgens het EHRM weerlegd worden indien cumulatief aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
1. De inperkingen van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3 m² zijn kort, incidenteel en gering;
2. De inperkingen gaan gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel;
3. De gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden detentie-inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn of haar detentie.
Op het moment van het schrijven van de klacht, verbleef klager met drie personen op cel. De derde celgenoot is uiteindelijk (zo vermoedt de advocaat) zo’n twee weken gebleven en werd daarna vervangen door een andere persoon.
De klachtencommissie stelt vast dat de mogelijkheden in de overbevolkte gevangenis van Antwerpen om aan voldoende activiteiten buiten de cel deel te nemen beperkt zijn en dat er dikwijls wachtlijsten zijn. Uit het dossier blijkt niet dat klager werk had gedurende deze periode, en bijvoorbeeld hierdoor de cel regelmatig kon verlaten.
Klager kaart in zijn klacht ook aan dat hij kampt met een medische problematiek (aan zijn darmen), waardoor hij moeilijk naar het toilet kan in het bijzijn van zijn celgenoten. Uit de aanvullende informatie van de directie blijkt ook dat het sanitair niet wordt afgescheiden van de rest van de cel. Het EHRM stelt dat de blootstelling aan passief roken en het gebrek aan privacy bij het gebruik van het toilet verzwarende elementen zijn om te kunnen besluiten tot onmenselijke behandeling en dus tot een schending van art. 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het overbevolkingsprobleem in de gevangenis van Antwerpen (en bij uitbreiding: verschillende Belgische gevangenissen) is een gekend probleem. De klachtencommissie heeft begrip voor de specifieke situatie voor het arresthuis van Antwerpen en het feit dat de directie nagenoeg geen invloed heeft op de instroom of uitstroom van gedetineerden. Zoals de directeur ter zitting stelt, ziet ook de directie de schrijnende situatie met lede ogen aan.
Uit bovenstaande blijkt echter dat het vermoeden van strijdigheid met het verbod op een onmenselijke behandeling in dit geval niet kan worden weerlegd. De situatie waarin klager verbleef, was in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Om deze redenen is de klacht gegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/26-0049 opgestart