TUCHT
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
In het RAD beschrijft een beambte dat hij bij de cel van klager verbrande plastiek ruikt en op het winket een verbrande vlek ziet. Wanneer hij het winket opent, wordt de geur harder. De opsteller meldt dat deze situatie volgens zijn collega’s al meerdere dagen speelt en de celbewoners zowel overdag als ’s nachts de boel op stelten zetten, waardoor hij aanraadt om de celbewoners uit elkaar te halen. Hij vermeldt nog dat de celbewoners daarna hebben geroepen dat hij heel de cel mocht kapot schrijven aan rapporten.
In het meldingsverslag vermeldt een beambte dat klager en zijn celgenoot het nodig vinden om de beambten te beledigen, en dit op elk moment van de dag en ’s nachts. De beambte verwijst naar een gebeurtenis die dag en meldt dat het gedrag voor onrust zorgt op de sectie en bij medegedetineerden. De beambte besluit dat het tijd wordt om de cel te ontbinden.
Klager werd over de feiten gehoord. Hij verklaart dat het niet 100% accuraat is.
De klachtencommissie meent dat het RAD en het meldingsverslag, die door verschillende personeelsleden werden ondertekend, duidelijk zijn. Klager en zijn advocaat hebben op de tuchtrechtelijke hoorzitting geen concrete, noch overtuigende tegenindicaties hebben aangebracht die zouden doen twijfelen aan de inhoud ervan. Klager stelde louter dat het rapport niet volledig accuraat was maar bracht verder geen elementen aan, terwijl hij daar wel de kans toe kreeg. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuken kon bewezen verklaren en deze aan klager kon toerekenen.
Klager betwist de schriftelijke weerslag van zijn verklaringen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hij vindt dat zijn woorden werden verdraaid en dat het lijkt alsof hij onbeleefd was. Volgens het inrichtingshoofd, dat het schriftelijk verweer in dit dossier opstelde en zelf aanwezig was tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, is de weergave correct.
De Basiswet bevat geen bepalingen omtrent het verslag van een tuchtrechtelijke hoorzitting. Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 bepaalt het verloop van de hoorzitting.
Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt de klachtencommissie vast dat klager in de gelegenheid werd gesteld om zijn opmerkingen te geven over de tenlasteleggingen hetgeen klager ook blijkt te hebben gedaan. De klachtencommissie stelt vast dat het verslag werd opgesteld door een personeelslid van de gevangenis en werd ondertekend door zowel het personeelslid als de directeur. Tot slot werd de datum en het tijdstip van het einde van de hoorzitting vermeld. Hiermee voldoet het verslag van de hoorzitting aan de vereisten uit Collectieve Brief nr. 124. De klachtencommissie kan daarnaast niet vaststellen dat de schriftelijke weerslag van klagers verklaringen niet overeenstemt met de werkelijkheid.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV voor de volgende tuchtinbreuken:
- de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee ;
- de opzettelijke aantasting van de orde ;
- het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden .
Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van zeven dagen wettig is. Bovendien is de tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk gelet op de verschillende inbreuken die werden weerhouden.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
In het RAD beschrijft een beambte dat hij bij de cel van klager verbrande plastiek ruikt en op het winket een verbrande vlek ziet. Wanneer hij het winket opent, wordt de geur harder. De opsteller meldt dat deze situatie volgens zijn collega’s al meerdere dagen speelt en de celbewoners zowel overdag als ’s nachts de boel op stelten zetten, waardoor hij aanraadt om de celbewoners uit elkaar te halen. Hij vermeldt nog dat de celbewoners daarna hebben geroepen dat hij heel de cel mocht kapot schrijven aan rapporten.
In het meldingsverslag vermeldt een beambte dat klager en zijn celgenoot het nodig vinden om de beambten te beledigen, en dit op elk moment van de dag en ’s nachts. De beambte verwijst naar een gebeurtenis die dag en meldt dat het gedrag voor onrust zorgt op de sectie en bij medegedetineerden. De beambte besluit dat het tijd wordt om de cel te ontbinden.
Klager werd over de feiten gehoord. Hij verklaart dat het niet 100% accuraat is.
De klachtencommissie meent dat het RAD en het meldingsverslag, die door verschillende personeelsleden werden ondertekend, duidelijk zijn. Klager en zijn advocaat hebben op de tuchtrechtelijke hoorzitting geen concrete, noch overtuigende tegenindicaties hebben aangebracht die zouden doen twijfelen aan de inhoud ervan. Klager stelde louter dat het rapport niet volledig accuraat was maar bracht verder geen elementen aan, terwijl hij daar wel de kans toe kreeg. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuken kon bewezen verklaren en deze aan klager kon toerekenen.
Klager betwist de schriftelijke weerslag van zijn verklaringen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting. Hij vindt dat zijn woorden werden verdraaid en dat het lijkt alsof hij onbeleefd was. Volgens het inrichtingshoofd, dat het schriftelijk verweer in dit dossier opstelde en zelf aanwezig was tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, is de weergave correct.
De Basiswet bevat geen bepalingen omtrent het verslag van een tuchtrechtelijke hoorzitting. Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 bepaalt het verloop van de hoorzitting.
Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt de klachtencommissie vast dat klager in de gelegenheid werd gesteld om zijn opmerkingen te geven over de tenlasteleggingen hetgeen klager ook blijkt te hebben gedaan. De klachtencommissie stelt vast dat het verslag werd opgesteld door een personeelslid van de gevangenis en werd ondertekend door zowel het personeelslid als de directeur. Tot slot werd de datum en het tijdstip van het einde van de hoorzitting vermeld. Hiermee voldoet het verslag van de hoorzitting aan de vereisten uit Collectieve Brief nr. 124. De klachtencommissie kan daarnaast niet vaststellen dat de schriftelijke weerslag van klagers verklaringen niet overeenstemt met de werkelijkheid.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV voor de volgende tuchtinbreuken:
- de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende/onroerende goederen, of de bedreiging daarmee ;
- de opzettelijke aantasting van de orde ;
- het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden .
Voor een tuchtinbreuk van de eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van zeven dagen wettig is. Bovendien is de tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk gelet op de verschillende inbreuken die werden weerhouden.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.