KC02/26-0025
Gegrond
KC - Antwerpen
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING
De klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel.
Uit voorliggend dossier blijkt dat klaagster werd aangehouden op verdenking van poging brandstichting in een bewoond pand, slagen aan een hulpverlener en opzettelijke slagen en verwondingen. Klaagster is ook in transitie. Zij gaf tijdens het onthaalgesprek aan dat ze het mentaal moeilijk heeft.
De directie besloot hierop de volgende maatregelen op te leggen:
- de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten van het reguliere aanbod;
- het ontnemen of onthouden van voorwerpen (geen vuur op cel);
- de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn.
Klaagster beklaagt zich specifiek over de eerste maatregel: de uitsluiting van deelname aan de gemeenschappelijke activiteiten. Ze heeft begrip voor de beslissing van de directie en erkent dat er sprake is van een psychische kwetsbaarheid, maar voert aan dat het verbieden van sociaal contact een negatieve invloed heeft op haar geestestoestand.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie onvoldoende motiveert waarom zij heeft beslist om klaagster uit te sluiten van de gemeenschappelijke activiteiten. Nochtans moet de motivering van de beslissing voor elke genomen maatregel toelaten om vast te stellen dat zij beantwoordt aan de noodzaak inzake het behoud van de orde en veiligheid, dat zij in verhouding staat tot de bedreiging en dat ze van die aard is dat ze verhindert dat de bedreiging zich realiseert. De klachtencommissie kan op basis van voorliggende motivering echter niet vaststellen dat de uitsluiting van de gemeenschappelijke activiteiten noodzakelijk was. De motivering van de BVM voldoet daardoor niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 van de Basiswet.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie beperkt zich tot de gegrondverklaring van de klacht, gelet op het feit dat de directie enkele dagen na het nemen van de beslissing en na terugkoppeling van de zorgpsychiater, zelf een nieuwe beslissing heeft genomen waarbij de BVM werd versoepeld en klaagster wel werd toegelaten tot bepaalde gemeenschappelijke activiteiten.
De klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel.
Uit voorliggend dossier blijkt dat klaagster werd aangehouden op verdenking van poging brandstichting in een bewoond pand, slagen aan een hulpverlener en opzettelijke slagen en verwondingen. Klaagster is ook in transitie. Zij gaf tijdens het onthaalgesprek aan dat ze het mentaal moeilijk heeft.
De directie besloot hierop de volgende maatregelen op te leggen:
- de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten van het reguliere aanbod;
- het ontnemen of onthouden van voorwerpen (geen vuur op cel);
- de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn.
Klaagster beklaagt zich specifiek over de eerste maatregel: de uitsluiting van deelname aan de gemeenschappelijke activiteiten. Ze heeft begrip voor de beslissing van de directie en erkent dat er sprake is van een psychische kwetsbaarheid, maar voert aan dat het verbieden van sociaal contact een negatieve invloed heeft op haar geestestoestand.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie onvoldoende motiveert waarom zij heeft beslist om klaagster uit te sluiten van de gemeenschappelijke activiteiten. Nochtans moet de motivering van de beslissing voor elke genomen maatregel toelaten om vast te stellen dat zij beantwoordt aan de noodzaak inzake het behoud van de orde en veiligheid, dat zij in verhouding staat tot de bedreiging en dat ze van die aard is dat ze verhindert dat de bedreiging zich realiseert. De klachtencommissie kan op basis van voorliggende motivering echter niet vaststellen dat de uitsluiting van de gemeenschappelijke activiteiten noodzakelijk was. De motivering van de BVM voldoet daardoor niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 van de Basiswet.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie beperkt zich tot de gegrondverklaring van de klacht, gelet op het feit dat de directie enkele dagen na het nemen van de beslissing en na terugkoppeling van de zorgpsychiater, zelf een nieuwe beslissing heeft genomen waarbij de BVM werd versoepeld en klaagster wel werd toegelaten tot bepaalde gemeenschappelijke activiteiten.