TUCHT
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
Het eerste RAD beschrijft dat er tijdens een celcontrole bij klager op het nachtkastje drie brokjes bruine substantie en één bolletje groene substantie worden aangetroffen. Ook werd er een grinder gevonden. Klager gaf aan dat dit van hem was.
Het tweede RAD beschrijft hoe klager die dag een overvolle waszak afgaf. Volgens de opsteller van het verslag kan de vuile was niet enkel de zijne zijn en zaten er niet enkel lakens in de zak, wat ingaat tegen de afspraken die met klager zijn gemaakt. Klager is hierover reeds meermaals aangesproken en gewaarschuwd.
Naar aanleiding van deze twee rapporten en zijn verklaringen ter zitting werd klager gesanctioneerd met 21 dagen ATV voor de tuchtinbreuken ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ , ‘het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen (met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde)’ , ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’ .
De klachtencommissie meent dat de feiten in verband met de verboden substanties duidelijk omschreven zijn in het RAD. Klager geeft de feiten ook toe. De directie verwijst in haar beslissing naar de materiële vaststellingen en de verklaringen van klager. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat het niet onredelijk is voor de directie om de feiten bewezen te achten en aan klager toe te rekenen. Zij motiveert dit afdoende in haar tuchtbeslissing.
De feiten in verband met de was worden door klager betwist. In haar beslissing komt de directie niet concreet terug op deze feiten en de toerekenbaarheid ervan aan klager. Deze inbreuken (gekwalificeerd als ‘het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde’, ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’) kunnen dan ook niet weerhouden worden.
De klachtencommissie stelt voorts vast dat in de tuchtbeslissing van 21 maart 2026 is bepaald dat de tuchtsanctie van 21 dagen ATV pas ingaat vanaf 30 maart 2026. Uit het dossier blijkt dat klager op het moment van de feiten reeds onder ATV stond door een eerdere tuchtbeslissing waarbij hij 15 dagen ATV opgelegd kreeg, van 15 maart 2026 tot en met 29 maart 2026.
Klager zou als gevolg van de bestreden beslissing dus 36 opeenvolgende dagen onder ATV verblijven. Aangezien er geen sprake is van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon, is dit in strijd met artikel 142 van de Basiswet.
De directie had in voorliggend dossier dus een maximale sanctie van 15 dagen ATV kunnen opleggen, zodat de periode van afzondering de 30 dagen niet te boven zou gaan. Gelet hierop en het gegeven dat slechts één van de tuchtinbreuken weerhouden wordt, besluit de klachtencommissie om de tuchtsanctie te herleiden naar 10 dagen ATV.
De klacht is dus gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van 21 dagen ATV voor ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ , ‘het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde’ , ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’
wordt vervangen door
- de tuchtsanctie van 10 dagen ATV voor ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ .
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
Het eerste RAD beschrijft dat er tijdens een celcontrole bij klager op het nachtkastje drie brokjes bruine substantie en één bolletje groene substantie worden aangetroffen. Ook werd er een grinder gevonden. Klager gaf aan dat dit van hem was.
Het tweede RAD beschrijft hoe klager die dag een overvolle waszak afgaf. Volgens de opsteller van het verslag kan de vuile was niet enkel de zijne zijn en zaten er niet enkel lakens in de zak, wat ingaat tegen de afspraken die met klager zijn gemaakt. Klager is hierover reeds meermaals aangesproken en gewaarschuwd.
Naar aanleiding van deze twee rapporten en zijn verklaringen ter zitting werd klager gesanctioneerd met 21 dagen ATV voor de tuchtinbreuken ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ , ‘het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen (met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde)’ , ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’ .
De klachtencommissie meent dat de feiten in verband met de verboden substanties duidelijk omschreven zijn in het RAD. Klager geeft de feiten ook toe. De directie verwijst in haar beslissing naar de materiële vaststellingen en de verklaringen van klager. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat het niet onredelijk is voor de directie om de feiten bewezen te achten en aan klager toe te rekenen. Zij motiveert dit afdoende in haar tuchtbeslissing.
De feiten in verband met de was worden door klager betwist. In haar beslissing komt de directie niet concreet terug op deze feiten en de toerekenbaarheid ervan aan klager. Deze inbreuken (gekwalificeerd als ‘het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde’, ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’) kunnen dan ook niet weerhouden worden.
De klachtencommissie stelt voorts vast dat in de tuchtbeslissing van 21 maart 2026 is bepaald dat de tuchtsanctie van 21 dagen ATV pas ingaat vanaf 30 maart 2026. Uit het dossier blijkt dat klager op het moment van de feiten reeds onder ATV stond door een eerdere tuchtbeslissing waarbij hij 15 dagen ATV opgelegd kreeg, van 15 maart 2026 tot en met 29 maart 2026.
Klager zou als gevolg van de bestreden beslissing dus 36 opeenvolgende dagen onder ATV verblijven. Aangezien er geen sprake is van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon, is dit in strijd met artikel 142 van de Basiswet.
De directie had in voorliggend dossier dus een maximale sanctie van 15 dagen ATV kunnen opleggen, zodat de periode van afzondering de 30 dagen niet te boven zou gaan. Gelet hierop en het gegeven dat slechts één van de tuchtinbreuken weerhouden wordt, besluit de klachtencommissie om de tuchtsanctie te herleiden naar 10 dagen ATV.
De klacht is dus gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden beslissing en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van 21 dagen ATV voor ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ , ‘het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement van de gevangenis voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde’ , ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ en ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’
wordt vervangen door
- de tuchtsanctie van 10 dagen ATV voor ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ .