Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0035

Gegrond KC - Beveren Klachtencommissie Andere beslissing directeur Tucht
TUCHT - TELEFONIE - ADVOCAAT - MEDEPLICHTIGHEID - TEGEMOETKOMING

De eerste klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.

Klager kreeg bij tuchtbeslissing een tuchtsanctie van veertien dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken , beide inbreuken van de eerste categorie.
Hoewel in de bestreden tuchtbeslissing niet wordt verwezen naar artikel 131 van de Basiswet, wordt klager blijkens de motivering in feite gesanctioneerd voor deelneming (“medeplichtigheid”) aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken . De directie expliciteert dat de oplader van de gsm werd teruggevonden in klagers stereoketen, en dat doordat de gsm werd opgeladen aan zijn stereoketen, hij het gebruik van de gsm faciliteert en er sprake is van medeplichtigheid.
In haar verweer spreekt de directie dan weer over mededaderschap en bruikleen, en concludeert zij daaruit dat klager duidelijk op de hoogte is van de inbreuk.

De klachtencommissie meent dat uit de loutere vaststelling dat de stereo van klager door de celgenoot (en eigenaar van de gsm) werd gebruikt voor het opladen van de gsm, niet kan worden afgeleid dat klager medeplichtig is aan de ten laste gelegde feiten. De stereo stond geïnstalleerd op de meerpersoonscel – een plaats die voor alle celgenoten toegankelijk is en waar de stereo voor iedereen bruikbaar is - en, zoals klager verklaarde, aan het bed van de celgenoot, die het zicht op de stereo bovendien had afgeschermd. Dit wordt niet weerlegd door de directie. De directie bewijst volgens de klachtencommissie niet dat klager een daad van medeplichtigheid heeft gesteld.

Tenslotte wijst het gegeven dat klager al meermaals het verzoek heeft geuit om te worden gemuteerd naar een monocel, op het feit klager zich actief wenst te distantiëren van het handelen van zijn celgenoten.

De klachtencommissie is van oordeel dat het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken op basis van de ter beschikking gestelde elementen, niet in redelijkheid en billijkheid bewezen kon zijn in hoofde van klager.

De eerste klacht is aldus gegrond.

De tweede klacht is gericht tegen het niet mogen bellen naar de advocaat tijdens de ATV.
Het niet mogen bellen naar de advocaat tijdens de ATV houdt in casu een schending in van artikel 140, §2, vijfde lid van de Basiswet en de relevante bepaling uit het huishoudelijk reglement. Zoals gezegd, draagt de directeur hiervoor de verantwoordelijkheid.
De directie gaf in haar verweer geen argumenten waarom zij het in casu verantwoord achtte om klager op de bewuste momenten niét te laten telefoneren.
Om deze reden, is de tweede klacht gegrond.

Aan klager wordt de volgende tegemoetkoming toegekend: één extra ongestoord bezoek en één extra videogesprek, die moeten worden georganiseerd binnen een termijn van één maand na betekening van deze beslissing aan de directie.