Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0112

Gegrond KC - Beveren Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - VERMOEDEN VAN ONSCHULD

De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing.

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van of de handel in, door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (tuchtinbreuk eerste categorie ).
Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. De directie heeft hierbij als tuchtoverheid een discretionaire bevoegdheid.
Bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid dient de directeur in het bijzonder rekening te houden met het vermoeden van onschuld als een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht.
De klachtencommissie merkt op dat er geen discussie lijkt te bestaan over de schuld van klagers celgenoot voor de verboden substanties die werden aangetroffen op cel.
De directie motiveert echter op geen enkele manier waarom de gevonden verboden substanties concreet toegerekend kunnen worden aan klager.
De directie steunt haar beslissing op het feit dat klager op de hoogte moest zijn geweest van de aanwezigheid van de verboden middelen van zijn celgenoot, en verwijt hem dat hij geen melding heeft gemaakt van de gebeurtenissen op cel.
Artikel 131 van de Basiswet stelt dat de deelneming aan een tuchtinbreuk gestraft wordt met dezelfde straffen als de tuchtinbreuken zelf. Om medeplichtig te zijn aan een tuchtinbreuk, moet een daad van medeplichtigheid gesteld zijn. De gedetineerde moet daarbij de dader hebben geholpen of bijgestaan in daden die de inbreuk hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. De directie haalt in haar motivering van de tuchtbeslissing geen zo’n daad van medeplichtigheid aan.
De beroepscommissie heeft reeds verschillende malen geoordeeld dat een louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van verboden voorwerpen of substanties onvoldoende is om gesanctioneerd te worden voor een tuchtinbreuk. Van een gedetineerde kan namelijk niet verwacht worden dat hij zijn celgenoten verklikt. Dit kan leiden tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt dus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid in de gevangenis. De beroepscommissie ontleende dit standpunt aan het Europees Comité ter Preventie van Foltering (CPT). Het weerspiegelt dus een internationale consensus.
De directie stelt in haar tuchtbeslissing ook dat klager reeds eerder in opspraak kwam rond misbruik van middelen. Hoewel de directie bij de straftoemeting rekening kan houden met het tuchtverleden van klager, kan dit geen aanwijzing opleveren noch een (op zichzelf staande) grond zijn om klager schuldig te verklaren aan een bepaalde inbreuk. Bovendien beperkt de directie zich, in haar tuchtbeslissing, slechts tot de zin “[Klager] kwam reeds eerder in opspraak rond misbruik van middelen”. Ze geeft meer uitleg in haar verweer, maar gelet het a posteriori-karakter   daarvan, kan er geen rekening mee worden gehouden.
Om deze reden, meent de klachtencommissie dat de directie de individuele tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van klager onvoldoende gemotiveerd heeft, zodat de motivering strijdig is met artikel 8 j° artikel 144, §6, tweede lid Basiswet.
Om deze redenen is de klacht gegrond.