Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0242

Gegrond KC - Beveren Klachtencommissie Tucht
TUCHT - RECHT OP TEGENSPRAAK

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee. Op de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager dat hij actief aan het gevecht heeft deelgenomen. Hij is enkel tussenbeide gekomen om zijn medegedetineerde te beschermen.

De klachtencommissie brengt artikel 144, §5, vijfde lid van de Basiswet in herinnering. Dit artikel bepaalt dat “de directeur […] de opsteller van het tuchtrapport en één of meerdere getuigen [kan] horen in aanwezigheid van de gedetineerde.” (eigen nadruk)

De klachtencommissie stelt dat het tegenstrijdig is met het recht op tegenspraak dat klager de getuigenis van zijn medegedetineerde niet kon tegenspreken. Hetzelfde geldt voor de lichamelijke letsels.

Volgens het EHRM omvat het recht op tegenspraak de mogelijkheid om kennis te nemen van en commentaar te leveren op alle aangevoerde bewijzen of ingediende opmerkingen, met het oog op de beslissing van de rechter te beïnvloeden. Bewijs dat een beslissende invloed kan hebben op het oordeel van de rechtbank – in casu de tuchtoverheid – moet onderworpen zijn aan tegenspraak.

In casu blijkt dat de fysieke letsels opgelopen door klager en verklaringen van zijn medegedetineerde in aanmerking werden genomen door de directie bij het nemen van de tuchtbeslissing. In de tuchtbeslissing haalt de directie namelijk aan dat “betrokkene […] zijn verklaringen weinig geloofwaardig zijn betreffende dit conflict, gelet de tegenstrijdige verklaring van de tegenpartij en de fysieke verwondingen die werden vastgesteld.” Op basis hiervan besluit de directie dat de tegenindicaties aangevoerd door klager onvoldoende aannemelijk zijn om de geloofwaardigheid van het RAD in twijfel te trekken en rekent ze de tuchtinbreuk toe aan klager.

De klachtencommissie meent dat het recht op tegenspraak in casu dicteert dat klager/zijn advocaat kennis konden nemen van en commentaar leveren op beide aspecten: de fysieke letsels en de verklaringen van klagers medegedetineerde. Dit was niet het geval. Dit maakt een schending uit van artikel 6 EVRM en leidt tot de nietigheid van de beslissing.