KC04/24-0296
Gegrond
KC - Beveren
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Ordemaatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
De eerste klacht is gericht tegen de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht is gericht tegen de ordemaatregel (afzetting van werk) van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de voorlopige maatregel (eerste klacht):
De directie heeft op 15 september 2024 een voorlopige maatregel tot uitsluiting van deelname aan de tewerkstelling opgelegd ten aanzien van klager. De directeur meent dat het opleggen van een voorlopige maatregel noodzakelijk is in het kader van de orde en de veiligheid, maar motiveert niet nader waarom er op dat moment sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Uit de motivering blijkt louter dat de viseren van andere gedetineerden, maar dat het onduidelijk was door wie dit was gebeurd.
Er wordt geen individueel element aangehaald waaruit blijkt dat de feiten de fysieke integriteit van personen in gevaar brengt, dan wel de goede staat van roerende of onroerende goederen. Het komt nochtans aan de directie toe om te motiveren waarom het manipuleren van de voedingsmiddelenals een dergelijke aantasting van de interne veiligheid kan worden gekwalificeerd. De klachtencommissie is dan ook van mening dat de kwalificatie van de feiten als “een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” onvoldoende gemotiveerd wordt.
De klacht is om deze reden gegrond.
Wat betreft de ordemaatregel (tweede klacht):
De directeur legde aan klager op 18 september 2024 een ordemaatregel op. De klachtencommissie merkt op dat klager werd afgezet van werk omwille van het feit dat hij op de hoogte was van de feiten in de keuken en hij desondanks niet de verantwoordelijkheid heeft genomen om dit te melden aan het personeel. Voor het overige kan de directie, zo blijkt uit het dossier, de feiten op zich (nl. het manipuleren van de voedingsmiddelen) niet individueel aan klager toerekenen.
De Nederlandstalige beroepscommissie wees er in het verleden reeds op dat er internationale consensus over bestaat dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn, aangezien dergelijke aanname leidt tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt aldus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid. In voorliggend dossier is er sprake van een dergelijke situatie: uit de verklaringen van klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting (die hebben geleid tot het opleggen van de bestreden ordemaatregel, lees: “Alle drie de gedetineerden bekennen tijdens de hoorzitting ook dat ze op de hoogte waren dat de kaas gemanipuleerd werd en er zaken uitgesneden werden.”), blijkt dat klager reeds het slachtoffer is geworden van dergelijke praktijken, omdat hij in het verleden zaken heeft gemeld aan het personeel over medegedetineerden. Dat hij in deze situatie terughoudend is om dit opnieuw te doen, kan hem dan ook niet verweten worden.
Bovendien stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt van eerdere incidenten op het werk waarbij klager betrokken was, eerdere waarschuwingen of antecedenten van dezelfde aard. De klachtencommissie meent om bovenstaande redenen dan ook dat de beslissing om klager af te zetten van werk in de grootkeuken voor een duur van drie maanden (zonder behoud van de plaats op de werkerslijst), onredelijk is. De klacht is gegrond.
De eerste klacht is gericht tegen de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht is gericht tegen de ordemaatregel (afzetting van werk) van de directie van de gevangenis.
Wat betreft de voorlopige maatregel (eerste klacht):
De directie heeft op 15 september 2024 een voorlopige maatregel tot uitsluiting van deelname aan de tewerkstelling opgelegd ten aanzien van klager. De directeur meent dat het opleggen van een voorlopige maatregel noodzakelijk is in het kader van de orde en de veiligheid, maar motiveert niet nader waarom er op dat moment sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Uit de motivering blijkt louter dat de viseren van andere gedetineerden, maar dat het onduidelijk was door wie dit was gebeurd.
Er wordt geen individueel element aangehaald waaruit blijkt dat de feiten de fysieke integriteit van personen in gevaar brengt, dan wel de goede staat van roerende of onroerende goederen. Het komt nochtans aan de directie toe om te motiveren waarom het manipuleren van de voedingsmiddelenals een dergelijke aantasting van de interne veiligheid kan worden gekwalificeerd. De klachtencommissie is dan ook van mening dat de kwalificatie van de feiten als “een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” onvoldoende gemotiveerd wordt.
De klacht is om deze reden gegrond.
Wat betreft de ordemaatregel (tweede klacht):
De directeur legde aan klager op 18 september 2024 een ordemaatregel op. De klachtencommissie merkt op dat klager werd afgezet van werk omwille van het feit dat hij op de hoogte was van de feiten in de keuken en hij desondanks niet de verantwoordelijkheid heeft genomen om dit te melden aan het personeel. Voor het overige kan de directie, zo blijkt uit het dossier, de feiten op zich (nl. het manipuleren van de voedingsmiddelen) niet individueel aan klager toerekenen.
De Nederlandstalige beroepscommissie wees er in het verleden reeds op dat er internationale consensus over bestaat dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn, aangezien dergelijke aanname leidt tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt aldus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid. In voorliggend dossier is er sprake van een dergelijke situatie: uit de verklaringen van klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting (die hebben geleid tot het opleggen van de bestreden ordemaatregel, lees: “Alle drie de gedetineerden bekennen tijdens de hoorzitting ook dat ze op de hoogte waren dat de kaas gemanipuleerd werd en er zaken uitgesneden werden.”), blijkt dat klager reeds het slachtoffer is geworden van dergelijke praktijken, omdat hij in het verleden zaken heeft gemeld aan het personeel over medegedetineerden. Dat hij in deze situatie terughoudend is om dit opnieuw te doen, kan hem dan ook niet verweten worden.
Bovendien stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt van eerdere incidenten op het werk waarbij klager betrokken was, eerdere waarschuwingen of antecedenten van dezelfde aard. De klachtencommissie meent om bovenstaande redenen dan ook dat de beslissing om klager af te zetten van werk in de grootkeuken voor een duur van drie maanden (zonder behoud van de plaats op de werkerslijst), onredelijk is. De klacht is gegrond.