TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren waarbij klager werd gesanctioneerd met dertig dagen ATV voor ‘het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken’ (een inbreuk van de eerste categorie).
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD van 9 oktober 2024, opgesteld door beambten van de gevangenis van Leuven-Hulp. Hieruit bleekt dat er tijdens de controle van klagers spullen voor nazending, een gsm werd gevonden in een pak suiker.
Gelet op de vaststellingen uit het RAD – waaruit duidelijk blijkt dat de gsm werd aangetroffen in de nazending van klager - en alle elementen uit het dossier, kon de directie ervan uit gaan dat de gsm aan klager toebehoorde. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De directie kwalificeerde de feiten als ‘het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken’ (een inbreuk van de eerste categorie). De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg de maximale sanctie opgelegd. De klachtencommissie acht dit wettelijk en, gelet op alle elementen in het dossier, niet onredelijk of onbillijk.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren waarbij klager werd gesanctioneerd met dertig dagen ATV voor ‘het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken’ (een inbreuk van de eerste categorie).
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD van 9 oktober 2024, opgesteld door beambten van de gevangenis van Leuven-Hulp. Hieruit bleekt dat er tijdens de controle van klagers spullen voor nazending, een gsm werd gevonden in een pak suiker.
Gelet op de vaststellingen uit het RAD – waaruit duidelijk blijkt dat de gsm werd aangetroffen in de nazending van klager - en alle elementen uit het dossier, kon de directie ervan uit gaan dat de gsm aan klager toebehoorde. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.
De directie kwalificeerde de feiten als ‘het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken’ (een inbreuk van de eerste categorie). De klachtencommissie acht die kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg de maximale sanctie opgelegd. De klachtencommissie acht dit wettelijk en, gelet op alle elementen in het dossier, niet onredelijk of onbillijk.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.