Ga verder naar de inhoud

KC04/24-0318

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Andere beslissing directeur
BIJSTAND ADVOCAAT

De klacht betreft een gebrek aan bijstand tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting in de gevangenis.

Klager kreeg op 7/10/2024 een “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure”, waarin staat dat hij zou worden gehoord over het RAD opgesteld op 6/10/2024 op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 11/10/2024. Hierin gaf klager aan dat hij wenste te worden bijgestaan door mr. Damen. Mr. Damen was afwezig op de hoorzitting van 11/10/2024. Hierdoor vroeg klager om de tuchtrechtelijke hoorzitting uit te stellen. Mr. Damen werd per e-mail d.d. 11/10/2024 door de gevangenis op de hoogte gebracht van het feit dat de hoorzitting van zijn cliënt werd uitgesteld naar de volgende dag, 12/10/2024.

De klachtencommissie merkt op dat uit het dossier blijkt dat de hoorzitting niet is doorgegaan op 12/10/2024, zoals gepland, maar op 14/10/2024. De advocaat van klager was niet aanwezig op de hoorzitting van 14/10/2024. De jurist van de klachtencommissie heeft per e-mail d.d. 4/11/2024 aan het klachtenbureau van de gevangenis van Beveren gevraagd of mr. Damen ooit geantwoord heeft op de mededeling(en) tot
uitstel. Het klachtenbureau heeft per kerende e-mail d.d. 4/11/2024 geantwoord dat mr. Damen nooit heeft geantwoord.
Op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 14/10/2024, waar klagers advocaat afwezig was, heeft de directie aan klager uitgelegd dat zij genoodzaakt was een beslissing te nemen op die dag. Zij heeft hem gevraagd of klager, ondanks de afwezigheid van zijn advocaat, zijn verhaal wilde doen. Klager heeft dit geweigerd.

Klager had wel degelijk een advocaat. Zijn advocaat heeft nooit te kennen gegeven klager niet te willen bijstaan. Hij is weliswaar meerdere keren niet komen opdagen op de (uitgestelde) tuchtrechtelijke hoorzittingen. Uit het dossier blijkt evenmin dat klager verzocht heeft om zich te laten bijstaan door een andere advocaat, wegens verzaking van mr. Damen. Klager heeft enkel gevraagd om zijn tuchtrechtelijk hoorzitting (meerdere keren) uit te stellen. Nadat de directie de tuchtrechtelijke hoorzitting twee keer had uitgesteld, heeft zij aan klager laten weten dat een beslissing moest worden genomen, gelet op de termijn die is vastgelegd in artikel 144, §1 van de Basiswet. Dit artikel verplicht de directeur om binnen zeven dagen na ontvangst van het RAD een beslissing te nemen. In reactie hierop gaf de klager aan dat hij geen verklaring wenste af te leggen en “liever terug [wilde] vertrekken.” De klachtencommissie meent dat de directie een redelijk evenwicht gezocht heeft tussen het recht van klager op bijstand en de verplichting voor de directie uit artikel 144, §1 van de Basiswet. Het was niet onredelijk om de zitting op 14/11/2024 te
laten doorgaan, na de zaak al tweemaal te hebben uitgesteld.

Wat betreft tot slot klagers argument dat hij ondanks ziekte toch naar de tuchtrechtelijke hoorzitting moest komen, merkt de klachtencommissie op dat hiervan geen spoor te vinden is in het tuchtdossier. Uit de nota’s van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt niet dat klager hieromtrent een
opmerking maakte. Hij maakte slechts een opmerking over de afwezigheid van zijn advocaat. In zo’n geval, meent de klachtencommissie dat het niet onredelijk is van de directie dat zij geen rekening houdt met klagers ziekte – dat voor zover de klachtencommissie kan beoordelen een argument is dat klager slechts op een latere datum in zijn klachtenformulier (17/10) heeft aangehaald – en de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft laten doorgaan. Om bovenstaande redenen is de klacht ongegrond.