Ga verder naar de inhoud

KC04/25-0032

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT

Klager dient klacht in tegen de beslissing van voorlopige maatregel van 09/02/2025 en de tuchtbeslissingen van 12/02/2025 en van 17/02/2025.

- Wat betreft de voorlopige maatregel van 09/02/2025

Uit de motivering van de voorlopige maatregel blijkt dat klager betrokken was bij een gevecht en hierbij een medegedetineerde aanviel. De klachtencommissie treedt de directie bij in haar beoordeling dat dit gedrag ontoelaatbaar is en een ernstige aantasting vormt voor de interne veiligheid van de inrichting. Het opleggen van een voorlopige maatregel was aldus verantwoord.

Omwille van deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond. De bestreden beslissing blijft bestaan.

- Wat betreft de tuchtbeslissing van 12/02/2025

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, een tuchtinbreuk van eerste categorie.

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager ook niet dat hij geweld zou hebben gebruikt, maar stelde hij dat dit enkel gebeurde omdat hij werd uitgelokt. De klachtencommissie volgt echter de redenering van de directie dat geweld in geen geval kan worden getolereerd en dat klager zich op meerdere momenten had kunnen terugtrekken. Bovendien stelt de klachtencommissie vast dat dit niet de eerste keer is dat klager betrokken was bij een gewelddadig incident op de wandeling. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig.

Omwille van deze redenen is deze klacht kennelijk ongegrond. De tuchtbeslissing van 12/02/2025 blijft bestaan.

- Wat betreft de tuchtbeslissing van 17/02/2025

Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie, en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, een tuchtinbreuk van de tweede categorie.

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting haalde klager aan dat hij de bedreigende uiting ten aanzien van de medegedetineerde niet gedaan zou hebben, maar klager onderbouwt dit verder niet. Wat de beledigingen ten aanzien van het personeel en de directie betreft, erkent klager dat hij deze uitspraken heeft gedaan.

De directeur legde een bijzondere tuchtsanctie op in de vorm van het verbod om deel te nemen aan alle gemeenschappelijke activiteiten gedurende veertien dagen. Gelet op klagers gedrag en houding op de wandeling – hetgeen een gemeenschappelijke activiteit is – en ten aanzien van zijn medegedetineerde, was er een verband tussen de feiten en de opgelegde sanctie zodat de bijzondere tuchtsanctie een spiegelende sanctie was. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig.

Omwille van deze redenen is deze klacht kennelijk ongegrond. De tuchtbeslissing van 17/02/2025 blijft bestaan.