KC04/25-0193
Ongegrond
Gegrond
KC - Beveren
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD
De klacht gaat over een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Over de voorlopige maatregel: de directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd omdat zij van oordeel was dat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk was aangetast. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.
Klager zou tijdens een telefoongesprek concrete en zware bedreigingen hebben geuit, waarbij hij aankondigde dat hij een medegedetineerde tijdens een bezoek zou neersteken. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was, gelet op de noodzaak op de fysieke integriteit van een medegedetineerde in de gevangenis te vrijwaren.
Gelet op de feiten was de plaatsing van klager in een verplicht verblijf op een beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De klacht is bijgevolg niet gegrond. De beslissing waarop de klacht betrekking heeft, blijft bestaan.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg in voorliggende zaak een berisping met inschrijving in het register voor tuchtsancties, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”.
Het vermoeden van onschuld is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In dezelfde zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) kan worden toegerekend. Het belang van dat laatste voorschrift vindt nog steun in de parlementaire voorbereiding bij de basiswet waarin - naast onder meer het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel, het recht van verdediging, - het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk individueel aan klager kon worden toegerekend. Zo heeft de ex-partner bepaalde zaken meegedeeld. Er waren echter geen getuigen van de vermeende bedreigingen van klager. Bovendien heeft klager uitgelegd dat hij en zijn ex-partner momenteel in een ‘vechtscheiding’ zitten en ruzie maken over de kinderen. Gelet op deze elementen meent de klachtencommissie dat de kwalificatie ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ dan ook niet weerhouden kan worden. De klacht is bijgevolg gegrond.
De klacht gaat over een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Beveren.
Over de voorlopige maatregel: de directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd omdat zij van oordeel was dat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk was aangetast. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.
Klager zou tijdens een telefoongesprek concrete en zware bedreigingen hebben geuit, waarbij hij aankondigde dat hij een medegedetineerde tijdens een bezoek zou neersteken. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was, gelet op de noodzaak op de fysieke integriteit van een medegedetineerde in de gevangenis te vrijwaren.
Gelet op de feiten was de plaatsing van klager in een verplicht verblijf op een beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De klacht is bijgevolg niet gegrond. De beslissing waarop de klacht betrekking heeft, blijft bestaan.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg in voorliggende zaak een berisping met inschrijving in het register voor tuchtsancties, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”.
Het vermoeden van onschuld is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In dezelfde zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “de gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) kan worden toegerekend. Het belang van dat laatste voorschrift vindt nog steun in de parlementaire voorbereiding bij de basiswet waarin - naast onder meer het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel, het recht van verdediging, - het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk individueel aan klager kon worden toegerekend. Zo heeft de ex-partner bepaalde zaken meegedeeld. Er waren echter geen getuigen van de vermeende bedreigingen van klager. Bovendien heeft klager uitgelegd dat hij en zijn ex-partner momenteel in een ‘vechtscheiding’ zitten en ruzie maken over de kinderen. Gelet op deze elementen meent de klachtencommissie dat de kwalificatie ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ dan ook niet weerhouden kan worden. De klacht is bijgevolg gegrond.