KC04/25-0195
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Beveren
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
Geen beslissing directeur
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - FEITELIJK HANDELEN - ARBEID
De klachten gaan over een voorlopige maatregel, een tuchtbeslissing, het feitelijk handelen van een beambte en over het gebrek aan werk in de gevangenis van Beveren.
Over het feitelijk handelen van een beambte: de klacht gaat over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur. Uit de klacht blijkt niet dat klager de directie hierover heeft aangesproken en dat zij heeft nagelaten om dit voorval te onderzoeken, waardoor er ook geen sprake is van een verzuim van de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Over de voorlopige maatregel: de directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd omdat zij van oordeel was dat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk was aangetast. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.
Klager zou concrete en zware bedreigingen hebben geuit. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was, gelet op de noodzaak op de fysieke integriteit van personen in de gevangenis te vrijwaren. Gelet op de feiten was de plaatsing van klager op een beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De klacht is bijgevolg niet gegrond.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 6 dagen ATV waarvan 3 dagen voorwaardelijk gedurende 2 maanden, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuken: 1) de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, 2) de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, 3) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, 4) het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel en 5) het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort.
De directie mag in haar motivering van haar beslissing verwijzen naar voldoende duidelijke opgestelde RAD’s. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen. De waarnemingen, die voldoende zorgvuldig werden gedaan, kunnen als basis dienen voor de tuchtbeslissing. Klager brengt geen overtuigende argumenten aan die gerede twijfel doen ontstaan over deze vaststellingen van de beambten, zoals genoteerd in de RAD’s.
Gelet op bovenstaande meent de klachtencommissie dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon verklaren. De waarnemingen door de beambten werden volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd. De klachtencommissie acht de kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk dan ook bewezen en meent dat de directie deze aan klager kon toerekenen.
Klager kon voor deze tuchtinbreuken maximaal 30 dagen ATV opleggen. Klager kreeg 6 dagen ATV, waarvan 3 dagen voorwaardelijk gedurende twee maanden, wat niet overkomt als een onredelijke tuchtsanctie die in verhouding staat tot de gepleegde inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met de omvang van de feiten rekening heeft gehouden. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over het werkaanbod: gedetineerden hebben het recht om te werken in de gevangenis. De directeur staat in voor de toewijzing van de in de gevangenis beschikbare arbeid aan de gedetineerden die om arbeid verzocht hebben. Dit verzoek wordt opgetekend in een door de Koning vastgesteld formulier. De directie oefent deze bevoegdheid uit door te reageren op de werkaanvraag van de gedetineerde. Ofwel krijgt de gedetineerde meteen een tewerkstelling aangeboden ofwel, wanneer er niet onmiddellijk arbeid beschikbaar is, wordt de gedetineerde op de wachtlijst geplaatst.
De penitentiaire realiteit toont in toenemende mate aan dat er slechts een beperkt aanbod van arbeid is, zodat men genoodzaakt is om met wachtlijsten te werken. Op 02 en 06/10/2025 diende klager klachten in omdat hij nog niet tewerkgesteld werd. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie heeft gedaan wat ze moest doen, namelijk klager op 16/01/2025 op de wachtlijst plaatsen. Dit betreft een feitelijke omstandigheid en is het gevolg van een grotere vraag naar arbeid dan het aanbod van beschikbare arbeidsplaatsen. De directie benadrukt in haar verweer ook dat geenszins een onderscheid wordt gemaakt op basis van afkomst, overtuiging of persoonlijke kenmerken van de gedetineerden.
De klachtencommissie besluit dat de directie niet heeft verzuimd om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. De klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.
De klachten gaan over een voorlopige maatregel, een tuchtbeslissing, het feitelijk handelen van een beambte en over het gebrek aan werk in de gevangenis van Beveren.
Over het feitelijk handelen van een beambte: de klacht gaat over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur. Uit de klacht blijkt niet dat klager de directie hierover heeft aangesproken en dat zij heeft nagelaten om dit voorval te onderzoeken, waardoor er ook geen sprake is van een verzuim van de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Over de voorlopige maatregel: de directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd omdat zij van oordeel was dat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk was aangetast. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.
Klager zou concrete en zware bedreigingen hebben geuit. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was, gelet op de noodzaak op de fysieke integriteit van personen in de gevangenis te vrijwaren. Gelet op de feiten was de plaatsing van klager op een beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing. De klacht is bijgevolg niet gegrond.
Over de tuchtbeslissing: klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 6 dagen ATV waarvan 3 dagen voorwaardelijk gedurende 2 maanden, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuken: 1) de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, 2) de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee, 3) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, 4) het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel en 5) het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort.
De directie mag in haar motivering van haar beslissing verwijzen naar voldoende duidelijke opgestelde RAD’s. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen. De waarnemingen, die voldoende zorgvuldig werden gedaan, kunnen als basis dienen voor de tuchtbeslissing. Klager brengt geen overtuigende argumenten aan die gerede twijfel doen ontstaan over deze vaststellingen van de beambten, zoals genoteerd in de RAD’s.
Gelet op bovenstaande meent de klachtencommissie dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon verklaren. De waarnemingen door de beambten werden volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd. De klachtencommissie acht de kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk dan ook bewezen en meent dat de directie deze aan klager kon toerekenen.
Klager kon voor deze tuchtinbreuken maximaal 30 dagen ATV opleggen. Klager kreeg 6 dagen ATV, waarvan 3 dagen voorwaardelijk gedurende twee maanden, wat niet overkomt als een onredelijke tuchtsanctie die in verhouding staat tot de gepleegde inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met de omvang van de feiten rekening heeft gehouden. De klacht is bijgevolg ongegrond.
Over het werkaanbod: gedetineerden hebben het recht om te werken in de gevangenis. De directeur staat in voor de toewijzing van de in de gevangenis beschikbare arbeid aan de gedetineerden die om arbeid verzocht hebben. Dit verzoek wordt opgetekend in een door de Koning vastgesteld formulier. De directie oefent deze bevoegdheid uit door te reageren op de werkaanvraag van de gedetineerde. Ofwel krijgt de gedetineerde meteen een tewerkstelling aangeboden ofwel, wanneer er niet onmiddellijk arbeid beschikbaar is, wordt de gedetineerde op de wachtlijst geplaatst.
De penitentiaire realiteit toont in toenemende mate aan dat er slechts een beperkt aanbod van arbeid is, zodat men genoodzaakt is om met wachtlijsten te werken. Op 02 en 06/10/2025 diende klager klachten in omdat hij nog niet tewerkgesteld werd. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie heeft gedaan wat ze moest doen, namelijk klager op 16/01/2025 op de wachtlijst plaatsen. Dit betreft een feitelijke omstandigheid en is het gevolg van een grotere vraag naar arbeid dan het aanbod van beschikbare arbeidsplaatsen. De directie benadrukt in haar verweer ook dat geenszins een onderscheid wordt gemaakt op basis van afkomst, overtuiging of persoonlijke kenmerken van de gedetineerden.
De klachtencommissie besluit dat de directie niet heeft verzuimd om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. De klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.