Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0052

Ongegrond Onontvankelijk KC - Beveren Klachtencommissie Tucht Ordemaatregel
TUCHT - ONTSLAG - ARBEID

De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 23/02/2026 en een afzetting van werk van de directie van de gevangenis van Beveren.

Over de tuchtbeslissing: klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 7 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuken van de tweede categorie: 1) het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden, 2) het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel en 3) het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen.

De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het rapport aan de directeur (RAD). Op de zitting heeft klager geen medische attesten kunnen voorleggen waaruit blijkt dat hij op het moment van de feiten ziek was. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De directie kon dan ook binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat de feiten die aan klager werden ten laste gelegd, bewezen waren. De motivering voldoet volgens de klachtencommissie aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet.

De kwalificaties zijn tuchtvergrijpen van de tweede categorie. De opgelegde tuchtsanctie van 7 dagen ATV valt nog steeds binnen het wettelijke maximum voor een tuchtinbreuk van de tweede categorie, wat 15 dagen is. De klachtencommissie acht een tuchtsanctie van 7 dagen ATV niet onredelijk voor een tuchtinbreuk van de tweede categorie, gelet op de omvang van de feiten en de maximumsanctie die de directie kon opleggen. Om deze redenen is de klacht ongegrond.

Over de afzetting van werk: klager diende op 28/02/2026 zijn klacht in. Uit het dossier blijkt dat pas op 02/03/2026 t.a.v. klager een ontslagbeslissing werd genomen. Op 28/02/2026 werd er bijgevolg nog geen ontslagbeslissing door de directie genomen. Aangezien op het moment van de indiening van de klacht nog geen beslissing tot afzetting van werk bestond in hoofde van klager, is de klacht over de afzetting van werk voorbarig en dus niet-ontvankelijk.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/26-0266 opgestart