Ga verder naar de inhoud

KC05/21-0117

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Fouille op het lichaam
TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - SCHORSING - VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE LICHAAM

De klacht gericht tegen de voorlopige maatregel is gegrond omdat deze beslissing werd genomen door een personeelslid zonder dat wordt aangetoond waarom de directeur de beslissing niet kon nemen. Uit de beslissing blijkt ook niet in opdracht van welke directeur de maatregel werd getroffen.

Een beslissing tot fouillering op het lichaam werd opgelegd "om uit te sluiten dat betrokkene gevaarlijke voorwerpen meeneemt naar de strafcel”. De directeur geeft zelf aan dat de motivatie in de beslissing tot fouillering op het lichaam foutief is in die zin dat klager op ATV werd geplaatst en niet in een veiligheidscel. De klacht is dus gegrond. De Klachtencommissie wenst nog op te merken dat, ook al zou klager wel degelijk in een strafcel geplaatst zijn, bovenstaande motivering evenmin zou hebben volstaan om tot een fouille op het lichaam over te gaan. De plaatsing in een beveiligde cel of strafcel vormt op zich staand, zonder bijkomend concreet element van gevaar voor de orde of de veiligheid – immers geen individuele aanwijzing die een fouillering op het lichaam rechtvaardigt. Het is verboden een fouillering op het lichaam stelselmatig op te leggen zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft. Indien geen concrete elementen van gevaar voor de orde of de veiligheid worden opgegeven, kan een fouillering op het lichaam met andere woorden niet gerechtvaardigd worden.

Wanneer een gedetineerde aangeeft dat hij tijdens een tuchtrechtelijke hoorzitting wenst te worden bijgestaan door een advocaat maar de advocaat niet komt opdagen, acht de Klachtencommissie het niet correct dat de tuchtrechtelijke hoorzitting gewoon aanvangt, tenzij klager uit zichzelf opwerpt dat hij de zitting niet wil laten doorgaan zonder zijn advocaat. De Klachtencommissie is van oordeel dat de directie in dergelijk geval daarentegen uitdrukkelijk aan klager dient te vragen of de tuchtzitting kan doorgaan zonder bijstand van de advocaat. Om hierover latere discussies te vermijden beveelt de Klachtencommissie aan om ook op te nemen in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting of de gedetineerde al dan niet toestemming gaf om de tuchtzitting door te laten gaan zonder advocaat. In deze zaak is het niet duidelijk of klager al dan niet tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft opgeworpen dat hij toch bijstand wou, noch wat in voorkomend geval het antwoord van de directie daarop was. De Klachtencommissie kan hierdoor niet nagaan of het recht op bijstand van een advocaat wel degelijk werd gewaarborgd. De Klachtencommissie is van oordeel dat de twijfel hieromtrent in het voordeel van klager moet worden uitgelegd. De klacht is gegrond.