Ga verder naar de inhoud

KC05/22-0127

Gegrond Onontvankelijk KC - Brugge Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR – BEZOEK – VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT – MOTIVERING

Klager heeft drie klachten ingediend.

De eerste klacht gaat over het afzeggen van het glasbezoek van klager door ‘Post II’ en ‘de griffie’. De directie stelt dat er op de door klager opgegeven datum geen (glas)bezoek zou zijn afgezegd. De klachtencommissie ziet – ook bij gebreke aan meer specifieke informatie van klager over dit vermeend afgezegde bezoek – geen redenen om aan deze vaststelling te twijfelen. Op dit vlak is er geen beslissing van de directie ten aanzien van klager. Deze eerste klacht is niet ontvankelijk.

De tweede klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel. Op het formulier van deze voorlopige maatregel werd aangekruist dat klager werd onderworpen aan een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte. In realiteit werd klager overgebracht naar een strafcel, die blijkbaar ook dienstdoet als beveiligde cel. De klachtencommissie wijst erop dat de onderbrenging in de beveiligde cel (de facto een strafcel) in principe een meer indringende maatregel is voor de eraan onderworpen gedetineerde dan een verplicht verblijf in de aan hem toegewezen verblijfsruimte. Het moet steeds duidelijk zijn voor klager welke voorlopige maatregel ten aanzien van hem wordt opgelegd. De plaatsing van klager in de beveiligde cel was dan ook onwettig. Deze tweede klacht is ontvankelijk en gegrond.

De derde klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van tien dagen ATV. Klager vindt dit een disproportionele straf. Hij beroept zich op zelfverdediging. De klachtencommissie brengt vooreerst de relevante principes over de motiveringsplicht in herinnering. De motivering van de bestreden tuchtbeslissing druist in tegen deze principes. Zo bestaat de motivering hoofdzakelijk uit algemene, niet-geïndividualiseerde en stereotiepe formuleringen. Vervolgens wordt in de beslissing gesteld dat klager lichamelijke letsels heeft toegebracht aan de medegedetineerde. Dit blijkt niet uit het dossier, noch blijkt – indien de directie dergelijke aanvullende informatie zou hebben ingewonnen – dat klager en zijn advocaat hiermee werden geconfronteerd en zij hierover op de tuchtzitting desgewenst tegenspraak hebben kunnen voeren. Ten slotte stelt de directie in haar verweer dat er bij het opleggen van de sanctie rekening werd gehouden met het verhaal van betrokkene. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt geenszins of – laat staan op welke manier – er rekening werd gehouden met het verhaal van klager. Deze derde klacht is ontvankelijk en gegrond.