Ga verder naar de inhoud

KC05/22-0131

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Tucht
TUCHT – RECHTEN VAN VERDEDIGING – MOTIVERING

Klager diende klacht in tegen een tuchtbeslissing. Tijdens een celcontrole werden verboden voorwerpen aangetroffen (RAD 1). Deze behoorden toe aan zijn celgenoot, die dit heeft bevestigd. De directie stelt in haar verweer dat klager echter een sanctie kreeg voor een andere inbreuk, meer bepaald voor het toedienen van extra wasmiddel in de wasmachines (RAD 2).

De klachtencommissie stelt na analyse van het dossier verschillende zaken vast met betrekking tot de aangevochten tuchtbeslissing. Vooreerst is er een schending van de rechten van verdediging. Uit het dossier blijkt immers niet dat de feiten uit RAD 2 ooit officieel aan klager ten laste werden gelegd in het kader van de tuchtprocedure. Hoewel klager op de tuchtzitting blijkbaar wel werd bevraagd over deze feiten, werd niet aangetoond dat hij wist dat hij zich hiertegen zou moeten verdedigen.

Vervolgens voldoet de aangevochten tuchtbeslissing ook niet aan de vereisten van de motiveringsplicht. De klachtencommissie stelt vast dat in de zaak van klager de motivering van de tuchtbeslissing niet strookt met de feiten die hem ten laste werden gelegd, noch met de weerhouden tuchtinbreuken. Klager kan niet weten voor welke feiten hij werd gesanctioneerd. Bovendien is het verband tussen de feiten en de inbreuk onduidelijk.

Ten slotte merkt de klachtencommissie op dat klager een bijzondere tuchtsanctie kreeg. In dergelijke gevallen moet de directie motiveren wat het verband is tussen de sanctie en de aard of omstandigheden van de tuchtrechtelijke inbreuk. In de zaak van klager werd ook dit verband niet aangetoond.

De klacht is om alle bovenstaande redenen ontvankelijk en gegrond.