KC05/22-0162
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Brugge
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR – VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT – GEÏNTERNEERDE – MOTIVERING
Klager, die het statuut heeft van geïnterneerde, heeft vier klachten ingediend.
De eerste klacht gaat over een voorlopige maatregel. De klachtencommissie brengt in herinnering dat uitsluitend een directeur kan beslissen om een voorlopige maatregel te nemen. Alleen wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, kunnen ook andere personeelsleden deze beslissing nemen, mits onmiddellijke kennisgeving aan de directeur, die dan een beslissing neemt. Deze uitzondering dient strikt te worden geïnterpreteerd, kan slechts uitzonderlijk worden toegepast en vereist een nauwkeurig te volgen procedure die in Collectieve Brief nr. 124 wordt omschreven. Naar het oordeel van de klachtencommissie blijkt uit de bestreden voorlopige maatregel niet duidelijk of deze al dan niet werd genomen door een directeur. De klachtencommissie ziet geen enkele reden waarom deze beslissing in dit dossier niet kon worden genomen door de directeur. De beslissing werd echter louter ondertekend “i.o.”, door een beambte. Indien de beslissing daadwerkelijk werd genomen door de beambte, werd de in dergelijke gevallen toepasselijke strikte en uitzonderlijke procedure niet correct gevolgd. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht gaat over een tuchtsanctie ten aanzien van klager. De klachtencommissie brengt, na de uiteenzetting van de totstandkoming van de tuchtsanctie, vooreerst in herinnering dat een gedetineerde enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur de feiten bewezen acht en de gedetineerde daaraan schuldig acht. Zodoende wordt vereist dat de feiten individueel toerekenbaar zijn. Dit toerekenbaarheidsvraagstuk vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de tuchtinbreuk een geïnterneerde is. De klachtencommissie verwijst hierbij naar een communicatie van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van 26 april 2021, waarin wordt gesteld dat in de motivering van de tuchtbeslissing expliciet melding dient te worden gemaakt van de elementen waaruit volgens de directie blijkt dat de feiten aan de betrokken geïnterneerde kunnen worden toegerekend. De toets van toerekenbaarheid van de feiten aan klager is in dit specifieke dossier afwezig. Deze tweede klacht is ontvankelijk en gegrond.
De derde klacht is gericht tegen een niet nader geïdentificeerde persoon. De klachtencommissie stelt vast dat deze klacht niet gericht is tegen een beslissing (of verzuim om een beslissing te nemen) door of namens de directeur ten aanzien van klager. Deze derde klacht is niet ontvankelijk.
In zijn vierde klacht stelt klager de discriminatie van geïnterneerden en hun algemene behandeling in de gevangenis aan de kaak. De klachtencommissie stelt vast dat deze klacht niet gericht is tegen een beslissing (of verzuim om een beslissing te nemen) door of namens de directeur ten aanzien van klager. Deze vierde klacht is niet ontvankelijk.
Klager, die het statuut heeft van geïnterneerde, heeft vier klachten ingediend.
De eerste klacht gaat over een voorlopige maatregel. De klachtencommissie brengt in herinnering dat uitsluitend een directeur kan beslissen om een voorlopige maatregel te nemen. Alleen wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, kunnen ook andere personeelsleden deze beslissing nemen, mits onmiddellijke kennisgeving aan de directeur, die dan een beslissing neemt. Deze uitzondering dient strikt te worden geïnterpreteerd, kan slechts uitzonderlijk worden toegepast en vereist een nauwkeurig te volgen procedure die in Collectieve Brief nr. 124 wordt omschreven. Naar het oordeel van de klachtencommissie blijkt uit de bestreden voorlopige maatregel niet duidelijk of deze al dan niet werd genomen door een directeur. De klachtencommissie ziet geen enkele reden waarom deze beslissing in dit dossier niet kon worden genomen door de directeur. De beslissing werd echter louter ondertekend “i.o.”, door een beambte. Indien de beslissing daadwerkelijk werd genomen door de beambte, werd de in dergelijke gevallen toepasselijke strikte en uitzonderlijke procedure niet correct gevolgd. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.
De tweede klacht gaat over een tuchtsanctie ten aanzien van klager. De klachtencommissie brengt, na de uiteenzetting van de totstandkoming van de tuchtsanctie, vooreerst in herinnering dat een gedetineerde enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur de feiten bewezen acht en de gedetineerde daaraan schuldig acht. Zodoende wordt vereist dat de feiten individueel toerekenbaar zijn. Dit toerekenbaarheidsvraagstuk vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de tuchtinbreuk een geïnterneerde is. De klachtencommissie verwijst hierbij naar een communicatie van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van 26 april 2021, waarin wordt gesteld dat in de motivering van de tuchtbeslissing expliciet melding dient te worden gemaakt van de elementen waaruit volgens de directie blijkt dat de feiten aan de betrokken geïnterneerde kunnen worden toegerekend. De toets van toerekenbaarheid van de feiten aan klager is in dit specifieke dossier afwezig. Deze tweede klacht is ontvankelijk en gegrond.
De derde klacht is gericht tegen een niet nader geïdentificeerde persoon. De klachtencommissie stelt vast dat deze klacht niet gericht is tegen een beslissing (of verzuim om een beslissing te nemen) door of namens de directeur ten aanzien van klager. Deze derde klacht is niet ontvankelijk.
In zijn vierde klacht stelt klager de discriminatie van geïnterneerden en hun algemene behandeling in de gevangenis aan de kaak. De klachtencommissie stelt vast dat deze klacht niet gericht is tegen een beslissing (of verzuim om een beslissing te nemen) door of namens de directeur ten aanzien van klager. Deze vierde klacht is niet ontvankelijk.