KC05/22-0192
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Brugge
Klachtencommissie
Overplaatsing
Tucht
TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - RECHTEN VAN VERDEDIGING - TAAL - OVERPLAATSING - BEVOEGDHEID
Het loutere feit dat de klacht in het Frans werd opgesteld leidt niet tot de onontvankelijkheid van de klacht.
Wanneer een gedetineerde aangeeft dat hij tijdens een tuchtrechtelijke hoorzitting wenst te worden bijgestaan door een advocaat maar de advocaat niet komt opdagen, acht de klachtencommissie het niet correct dat de tuchtrechtelijke hoorzitting gewoon aanvangt, tenzij klager uit zichzelf opwerpt dat hij de zitting niet wil laten doorgaan zonder zijn advocaat. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in dergelijk geval daarentegen uitdrukkelijk aan klager dient te vragen of de tuchtzitting kan doorgaan zonder bijstand van de advocaat. Om hierover latere discussies te vermijden beveelt de klachtencommissie aan om ook op te nemen in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting of de gedetineerde al dan niet toestemming gaf om de tuchtzitting door te laten gaan zonder advocaat. In deze zaak is het niet duidelijk of klager al dan niet tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft opgeworpen dat hij toch bijstand wou, noch wat in voorkomend geval het antwoord van de directie daarop was.
Er werd aan klager een tuchtbeslissing opgelegd zonder dat klager ondubbelzinnig afstand deed van zijn recht op verdediging. De tuchtbeslissing is daardoor onwettig. De klacht over de tuchtbeslissing is gegrond.
Een beslissing om een gedetineerde al dan niet over te plaatsen naar een andere gevangenis behoort niet tot de bevoegdheid van de gevangenisdirecteur, maar van de Directie Detentiebeheer (“DDB”) van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen (“DG EPI”). De klachtencommissie is dus niet bevoegd om de klacht over de overplaatsing inhoudelijk te beoordelen. De klacht is niet-ontvankelijk.
Het loutere feit dat de klacht in het Frans werd opgesteld leidt niet tot de onontvankelijkheid van de klacht.
Wanneer een gedetineerde aangeeft dat hij tijdens een tuchtrechtelijke hoorzitting wenst te worden bijgestaan door een advocaat maar de advocaat niet komt opdagen, acht de klachtencommissie het niet correct dat de tuchtrechtelijke hoorzitting gewoon aanvangt, tenzij klager uit zichzelf opwerpt dat hij de zitting niet wil laten doorgaan zonder zijn advocaat. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in dergelijk geval daarentegen uitdrukkelijk aan klager dient te vragen of de tuchtzitting kan doorgaan zonder bijstand van de advocaat. Om hierover latere discussies te vermijden beveelt de klachtencommissie aan om ook op te nemen in het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting of de gedetineerde al dan niet toestemming gaf om de tuchtzitting door te laten gaan zonder advocaat. In deze zaak is het niet duidelijk of klager al dan niet tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft opgeworpen dat hij toch bijstand wou, noch wat in voorkomend geval het antwoord van de directie daarop was.
Er werd aan klager een tuchtbeslissing opgelegd zonder dat klager ondubbelzinnig afstand deed van zijn recht op verdediging. De tuchtbeslissing is daardoor onwettig. De klacht over de tuchtbeslissing is gegrond.
Een beslissing om een gedetineerde al dan niet over te plaatsen naar een andere gevangenis behoort niet tot de bevoegdheid van de gevangenisdirecteur, maar van de Directie Detentiebeheer (“DDB”) van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen (“DG EPI”). De klachtencommissie is dus niet bevoegd om de klacht over de overplaatsing inhoudelijk te beoordelen. De klacht is niet-ontvankelijk.