Ga verder naar de inhoud

KC05/22-0196

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM – VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT – MOTIVERING – RECHTEN VAN VERDEDIGING

Klager heeft drie klachten ingediend.

De eerste klacht is gericht tegen een fouillering op het lichaam. Deze beslissing werd als volgt gemotiveerd: “om te vermijden dat betrokkene gevaarlijke voorwerpen meeneemt naar de veiligheidscel”. De klachtencommissie stelt, met een verwijzing naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dat de plaatsing in een beveiligde cel of strafcel op zichzelf staand, zonder bijkomend (concreet) element van een gevaar voor de orde of de veiligheid, geen individuele aanwijzing is die een fouillering op het lichaam kan rechtvaardigen. Het is niet toegelaten om een fouillering op het lichaam te bevelen louter omwille van de plaatsing van een gedetineerde in een beveiligde cel of strafcel, zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft. Uit de bestreden beslissing blijkt geen enkele individuele aanwijzing waarom er in het geval van klager een gevaar bestond dat hij bepaalde gevaarlijk geachte voorwerpen zou proberen meenemen naar de beveiligde cel. Deze eerste klacht is ontvankelijk en gegrond.

De tweede klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel. De klachtencommissie stelt dat uitsluitend de directeur kan beslissen om een voorlopige maatregel te nemen. In Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 (p.14) wordt bepaald dat, wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden deze beslissing kunnen nemen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur, die dan een beslissing neemt. Gelet op recente rechtspraak van de Nederlandstalige Beroepscommissie is ook de klachtencommissie van oordeel dat dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Uit het relevante RAD blijkt dat in deze zaak een beambte de opdracht gaf tot de voorlopige maatregel. Bovendien blijkt uit datzelfde RAD dat door deze beambte opdracht werd gegeven tot het plaatsen van klager in een strafcel. Een voorlopige maatregel kan echter niet worden opgelegd met het oog op onmiddellijke bestraffing. Om al deze redenen is deze tweede klacht van klager ontvankelijk en gegrond.

De derde klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. De klachtencommissie brengt vooreerst de relevante principes van de motivering van tuchtsancties in herinnering. Ten aanzien van klager werden twee RAD’s opgesteld. De klachtencommissie stelt vast dat het op basis van de tuchtbeslissing onduidelijk is voor welke feiten klager al dan niet tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd. Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing. Zeker wanneer verschillende RAD’s worden behandeld, is het fundamenteel dat via de motivering van de tuchtsanctie duidelijk wordt weergegeven welke feiten de directie al dan niet als bewezen heeft beschouwd en op welke wijze zij deze verschillende feiten in aanmerking heeft genomen, bv. bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de sanctie. De gebrekkige motivering maakt de tuchtbeslissing onwettig.

Daarnaast stelt de klachtencommissie met betrekking tot de derde klacht ook nog een schending van de rechten van verdediging vast. Uit het tuchtdossier van klager blijkt dat klager op voorhand had aangegeven dat hij tijdens zijn tuchtrechtelijke hoorzitting bijstand wenste van een advocaat. De uitnodiging naar de door klager opgegeven advocate werd verstuurd op zondag 20 november 2022 om 12u08. De advocate werd uitgenodigd om klager bij te staan op diens tuchtrechtelijke zitting van 21 november 2022 om 10u00. De klachtencommissie is van oordeel dat de advocate van klager in ieder geval niet tijdig werd uitgenodigd. Daarenboven blijkt uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting niet of aan klager gevraagd werd of hij de tuchtrechtelijke hoorzitting wenste te laten doorgaan met of zonder bijstand van zijn advocate. Om al deze redenen is de derde klacht van klager ontvankelijk en gegrond.