TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - MEERPERSOONSCEL - MOTIVERING
De tuchtinbreuk waaraan klager volgens de tuchtbeslissing schuldig wordt bevonden is “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Volgens de directeur die aanwezig was tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie werd een verkeerd vakje aangevinkt, en had de inbreuk “opzettelijke aantasting van de orde” moeten worden aangeduid. Dat klager schuldig werd bevonden aan de opzettelijke aantasting van de orde, en niet aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, blijkt volgens haar duidelijk uit de motivering van de tuchtbeslissing.
Hoewel in deze motivering inderdaad wordt gesteld dat de orde en veiligheid van de gevangenis in het gedrang werd gebracht, kan de klachtencommissie de directie niet volgen waar zij stelt dat het zo duidelijk is dat klager enkel voor de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de orde” werd gesanctioneerd.
Op geen enkel moment tijdens de tuchtprocedure werd aan klager duidelijk gemaakt dat hij tuchtrechtelijk vervolgd werd voor de opzettelijke aantasting van de orde. Daarnaast stelt de directie zowel in haar schriftelijk als mondeling verweer dat klager tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd omdat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van een druggerelateerd voorwerp, maar naliet dit te melden.
Pas naar aanleiding van de klacht van klager en de procedure voor de klachtencommissie wordt voor klager duidelijk waarvoor de directie hem heeft willen sanctioneren. De motivering van de tuchtbeslissing, noch de inbreuk waarvoor klager volgens de tuchtbeslissing werd gesanctioneerd, strookt hiermee. De gehele tuchtbeslissing is dan ook gebrekkig en hierdoor onwettig.
Bovendien wenst de klachtencommissie te wijzen op de internationale consensus over het gegeven dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn.
Om alle bovenstaande redenen is de klacht van klager gegrond.
De tuchtinbreuk waaraan klager volgens de tuchtbeslissing schuldig wordt bevonden is “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Volgens de directeur die aanwezig was tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie werd een verkeerd vakje aangevinkt, en had de inbreuk “opzettelijke aantasting van de orde” moeten worden aangeduid. Dat klager schuldig werd bevonden aan de opzettelijke aantasting van de orde, en niet aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, blijkt volgens haar duidelijk uit de motivering van de tuchtbeslissing.
Hoewel in deze motivering inderdaad wordt gesteld dat de orde en veiligheid van de gevangenis in het gedrang werd gebracht, kan de klachtencommissie de directie niet volgen waar zij stelt dat het zo duidelijk is dat klager enkel voor de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de orde” werd gesanctioneerd.
Op geen enkel moment tijdens de tuchtprocedure werd aan klager duidelijk gemaakt dat hij tuchtrechtelijk vervolgd werd voor de opzettelijke aantasting van de orde. Daarnaast stelt de directie zowel in haar schriftelijk als mondeling verweer dat klager tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd omdat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van een druggerelateerd voorwerp, maar naliet dit te melden.
Pas naar aanleiding van de klacht van klager en de procedure voor de klachtencommissie wordt voor klager duidelijk waarvoor de directie hem heeft willen sanctioneren. De motivering van de tuchtbeslissing, noch de inbreuk waarvoor klager volgens de tuchtbeslissing werd gesanctioneerd, strookt hiermee. De gehele tuchtbeslissing is dan ook gebrekkig en hierdoor onwettig.
Bovendien wenst de klachtencommissie te wijzen op de internationale consensus over het gegeven dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn.
Om alle bovenstaande redenen is de klacht van klager gegrond.