VOORLOPIGE MAATREGEL
De klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel, die ten aanzien van klager werd opgelegd na de vondst van enkele verdachte substanties op zijn cel. De klachtencommissie stelt vast dat in het RAD wordt gesproken over “onderstaande verdachte substanties”, “een witte poedersubstantie” en “een witte verdachte substantie”. In de voorlopige maatregel wordt vervolgens verwezen naar dit RAD, met daarbij de vermelding “in het bezit van verboden middelen”. Deze formulering (“in het bezit van verboden middelen”) wijst er voor de klachtencommissie op dat de directie klager al op het moment van het nemen van de voorlopige maatregel – en dus vóór het doorlopen van een tuchtprocedure – schuldig achtte aan de tuchtinbreuk van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen op substanties. De voorlopige maatregel werd zodoende opgelegd met het oog op de onmiddellijke bestraffing van klager. Deze klacht is ontvankelijk en gegrond.
De klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel, die ten aanzien van klager werd opgelegd na de vondst van enkele verdachte substanties op zijn cel. De klachtencommissie stelt vast dat in het RAD wordt gesproken over “onderstaande verdachte substanties”, “een witte poedersubstantie” en “een witte verdachte substantie”. In de voorlopige maatregel wordt vervolgens verwezen naar dit RAD, met daarbij de vermelding “in het bezit van verboden middelen”. Deze formulering (“in het bezit van verboden middelen”) wijst er voor de klachtencommissie op dat de directie klager al op het moment van het nemen van de voorlopige maatregel – en dus vóór het doorlopen van een tuchtprocedure – schuldig achtte aan de tuchtinbreuk van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen op substanties. De voorlopige maatregel werd zodoende opgelegd met het oog op de onmiddellijke bestraffing van klager. Deze klacht is ontvankelijk en gegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/23-0235 opgestart