TUCHT
De klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van één week individuele wandeling en dit wegens een tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van de terreinen. Klager had geplast op de wandeling.
Klager is het vooreerst oneens met de tuchtbeslissing omdat volgens hem de termijnen uit artikel 144 Basiswet zouden overschreden zijn en dit zijn rechten heeft aangetast. De klachtencommissie stelt na onderzoek van het dossier vast dat deze termijnen niet werden overschreden. De directie bezorgde klager binnen de zeven dagen na ontvangst van het RAD een mededeling inzake de tuchtprocedure, waarbij de klachtencommissie bepaalt dat de dag waarop de kennisname van het RAD gebeurde, niet in deze termijnberekening zit inbegrepen. De directie hoorde klager vervolgens ook binnen de zeven dagen na overhandiging van deze mededeling. De beslissing werd tijdig genomen en aan klager bezorgd. De beslissing is op dit vlak wettig.
Klager is het vervolgens oneens met de tuchtbeslissing omdat hij zou gehandeld hebben uit overmacht. Het werd hem niet werd toegelaten om de toiletten op de wandeling te gebruiken. De klachtencommissie stelt vast dat het aan klager enkel niet werd toegelaten om op de laatste ogenblikken van de wandeling (de laatste tien minuten) de toiletten te gebruiken. Er is ook geen sprake van een schending van artikel 3 EVRM, zoals klager beweert. Dat klager op een bepaald tijdstip omwille van specifieke omstandigheden en voor een zeer beperkte tijd niet naar het toilet kon, daarna urineerde op de wandeling en hiervoor tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd na een correct gevoerde tuchtzitting impliceert allerminst een situatie van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Deze klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.
De klacht is gericht tegen een tuchtsanctie van één week individuele wandeling en dit wegens een tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van de terreinen. Klager had geplast op de wandeling.
Klager is het vooreerst oneens met de tuchtbeslissing omdat volgens hem de termijnen uit artikel 144 Basiswet zouden overschreden zijn en dit zijn rechten heeft aangetast. De klachtencommissie stelt na onderzoek van het dossier vast dat deze termijnen niet werden overschreden. De directie bezorgde klager binnen de zeven dagen na ontvangst van het RAD een mededeling inzake de tuchtprocedure, waarbij de klachtencommissie bepaalt dat de dag waarop de kennisname van het RAD gebeurde, niet in deze termijnberekening zit inbegrepen. De directie hoorde klager vervolgens ook binnen de zeven dagen na overhandiging van deze mededeling. De beslissing werd tijdig genomen en aan klager bezorgd. De beslissing is op dit vlak wettig.
Klager is het vervolgens oneens met de tuchtbeslissing omdat hij zou gehandeld hebben uit overmacht. Het werd hem niet werd toegelaten om de toiletten op de wandeling te gebruiken. De klachtencommissie stelt vast dat het aan klager enkel niet werd toegelaten om op de laatste ogenblikken van de wandeling (de laatste tien minuten) de toiletten te gebruiken. Er is ook geen sprake van een schending van artikel 3 EVRM, zoals klager beweert. Dat klager op een bepaald tijdstip omwille van specifieke omstandigheden en voor een zeer beperkte tijd niet naar het toilet kon, daarna urineerde op de wandeling en hiervoor tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd na een correct gevoerde tuchtzitting impliceert allerminst een situatie van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Deze klacht is ontvankelijk, maar niet gegrond.