KC05/24-0104
Gegrond
KC - Brugge
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
Klager heeft klacht ingediend tegen de beslissing om ten aanzien van hem opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen (zie KC05/24-0084, KC05/24-0093 en KC05/24-0095) een derde keer te verlengen. De klachtencommissie stelt vast dat in de beslissing enkele nieuwe elementen worden vermeld, maar deze konden niet op pertinente wijze bijdragen aan de beoordeling van de noodzaak van het verlengen van de veiligheidsmaatregelen. Het hoormoment en de beslissing blijken bovendien formaliteiten geweest te zijn. Uit het verslag van het hoormoment blijkt dat de directie klager op de hoogte heeft gebracht dat zij een derde verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregelen zou toepassen en dat er ook zou worden overgegaan naar een individueel bijzonder veiligheidsregime. Ten slotte wijst de klachtencommissie erop dat hoewel de initiƫle bijzondere veiligheidsmaatregelen (KC05/24-0084) blijven bestaan, de eerste verlenging daarvan (KC05/24-0093) en de tweede verlenging (KC05/24-0095) door de klachtencommissie werden vernietigd. De derde verlenging betreft een beslissing die voortbouwt op deze eerste en tweede verlenging, die echter retroactief uit de rechtsorde zijn verdwenen en geacht worden nooit te hebben bestaan. Zodoende kon de directie niet voor een derde keer veiligheidsmaatregelen verlengen die op dat moment juridisch gezien niet bestonden. De klacht is ontvankelijk en gegrond.
Klager heeft klacht ingediend tegen de beslissing om ten aanzien van hem opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen (zie KC05/24-0084, KC05/24-0093 en KC05/24-0095) een derde keer te verlengen. De klachtencommissie stelt vast dat in de beslissing enkele nieuwe elementen worden vermeld, maar deze konden niet op pertinente wijze bijdragen aan de beoordeling van de noodzaak van het verlengen van de veiligheidsmaatregelen. Het hoormoment en de beslissing blijken bovendien formaliteiten geweest te zijn. Uit het verslag van het hoormoment blijkt dat de directie klager op de hoogte heeft gebracht dat zij een derde verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregelen zou toepassen en dat er ook zou worden overgegaan naar een individueel bijzonder veiligheidsregime. Ten slotte wijst de klachtencommissie erop dat hoewel de initiƫle bijzondere veiligheidsmaatregelen (KC05/24-0084) blijven bestaan, de eerste verlenging daarvan (KC05/24-0093) en de tweede verlenging (KC05/24-0095) door de klachtencommissie werden vernietigd. De derde verlenging betreft een beslissing die voortbouwt op deze eerste en tweede verlenging, die echter retroactief uit de rechtsorde zijn verdwenen en geacht worden nooit te hebben bestaan. Zodoende kon de directie niet voor een derde keer veiligheidsmaatregelen verlengen die op dat moment juridisch gezien niet bestonden. De klacht is ontvankelijk en gegrond.