Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0305

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - RECHT OP TEGENSPRAAK - CAMERABEELDEN

De eerste klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.

Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft op 17 augustus 2024 een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd ten aanzien van klager, wegens het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen.
De klachtencommissie wijst erop dat de voorlopige maatregel bijzonder summier – en onvoldoende – werd gemotiveerd. Zo wordt vereist dat klager zou hebben aangezet tot een collectieve actie of een dergelijke actie zou hebben gevoerd, waardoor de veiligheid ernstig in gevaar
was gebracht. Vooreerst wordt in de voorlopige maatregel niet gemotiveerd waarom er sprake was van een ‘collectieve actie’. In de beslissing wordt louter geschreven dat klager weigerde om binnen te komen van de gemeenschappelijke wandeling. Wat het collectieve aspect van deze handeling is, wordt niet gemotiveerd in de bestreden beslissing. Daarnaast wordt evenmin gemotiveerd waarom klager door deze handeling de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar had gebracht.
De eerste klacht is om deze reden gegrond.

Over de tweede klacht (de tuchtsanctie):
In het dossier is een RAD van 17 augustus 2024 (feiten van 17u30) voorhanden, op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd gevoerd. Klager werd onder voorlopige maatregel geplaatst (zie hierboven; de eerste klacht; 3.1). Klager werd niet gehoord op de tuchtzitting van 20 augustus 2024, aangezien hij op uitgaansvergunning was. Hij werd wel gehoord op de tuchtzitting van 21 augustus 2024, met bijstand van een advocaat. In de bestreden tuchtbeslissing werd één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde het aanzetten tot of voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. Klager werd gesanctioneerd met één week ATV.

De klachtencommissie is van oordeel dat er sprake is van een schending van het recht op tegenspraak. Zij stelt vast dat de directie zich voor het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op “de hoorzittingen met alle betrokkenen en bevraging bij het personeel”. In de tuchtbeslissing wordt verder nog vermeld dat uit niet nader bepaald “verder onderzoek” bleek dat klager niet naar binnen wenste te keren.
De informatie die uit deze zaken is voortgekomen, blijken de voornaamste bewijselementen te zijn waarop de directie zich heeft gesteund voor het bewijzen van de ten aanzien van klager ten laste gelegde feiten. De klachtencommissie heeft er echter geen precies zicht op welke informatie is voortgekomen uit de hoorzittingen met andere gedetineerden, uit de bevraging bij het personeel en uit het ‘verder onderzoek’. Of deze bevraging bij het personeel en het verdere onderzoek voorafgaand of na de tuchtzitting met klager zijn gebeurd, blijkt niet uit het tuchtdossier. Uit het tuchtdossier blijkt evenmin dat klager en zijn advocaat met deze informatie werden geconfronteerd en zij hierover tegenspraak konden voeren of hun verweermiddelen doen gelden.

De klachtencommissie wijst er verder nog op dat uit het verslag van de tuchtbeslissing blijkt dat de directeur voorafgaand aan de zitting camerabeelden heeft bekeken. De directie stelde immers tot tweemaal toe dat de beelden duidelijk zijn. Uit het verslag van de tuchtzitting blijkt niet of ook klager en zijn advocaat toegang tot de beelden hebben gehad of dat zij deze beelden hebben kunnen bekijken, zodat ook hierover tegenspraak mogelijk was. De tweede klacht is om deze reden gegrond.