TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - MOTIVERING - SUBSIDIARITEIT
De klacht gaat over de beslissing van 19 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klaagster een tuchtsanctie werd opgelegd.
Het RAD van 14 september 2024 (feiten van 18u20) op basis waarvan ten aanzien van klaagster een tuchtprocedure werd ingesteld, luidt als volgt:
“Net voor de mis zou starten, zie ik dat bovengenoemde de rij net voor mij plaats neemt. [Medegedetineerde], die al neer zat, draait zich om en geeft 3 sigaretten in de rechterhand van
bovengenoemde”.
Klaagster werd over deze feiten gehoord op de tuchtzitting van 19 september 2024, met bijstand van haar advocaat. Op deze tuchtzitting stelde klaagster dat zij niets had afgesproken met de
medegedetineerde. Deze medegedetineerde zou spontaan iets gegeven hebben aan haar. Klaagster heeft dit dan direct afgegeven aan de beambte, die ‘dank u wel’ zou gezegd hebben.
In de bestreden tuchtbeslissing werd één tuchtinbreuk van tweede categorie aangekruist, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Klaagster
werd gesanctioneerd met één week een verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband, meer specifiek één week individuele
wandeling (en dus de uitsluiting aan de gemeenschappelijke wandeling).
De klachtencommissie wijst er vooreerst op dat de directie niet aan zorgvuldige feitenvinding heeft gedaan. Klaagster vermeldde op de tuchtzitting dat zij de overhandigde sigaretten onmiddellijk
heeft afgegeven aan de beambte. Het RAD zelf is summier. In het RAD wordt deze afgifte helemaal niet vermeld. Het al dan niet spontane karakter van de afgifte kan zodoende niet uit dit RAD worden
afgeleid. De spontaneïteit van de afgifte was in dit dossier volgens de klachtencommissie van aanzienlijk belang. Het al dan niet spontante karakter van de afgifte is naar het oordeel van de
klachtencommissie immers van doorslaggevend belang voor het schuldig verklaren van klaagster aan de haar ten laste gelegde feiten. Indien ontvangen goederen immers onmiddellijk worden
afgegeven aan een beambte, is er volgens de klachtencommissie niet per definitie sprake van het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
De klachtencommissie wijst er ten tweede op dat de tuchtbeslissing onvoldoende werd gemotiveerd, meer specifiek wat betreft de opgelegde bijzondere tuchtsanctie. Klaagster blijkt de sigaretten te hebben ontvangen net voorafgaand aan de misviering. Als sanctie kreeg zij één week individuele wandeling. Wat het verband is tussen deze sanctie en de aard of omstandigheden van
de tuchtinbreuk, blijkt niet uit de motivering van de tuchtbeslissing.
De klachtencommissie wijst er ten derde op dat de tuchtbeslissing niet subsidiair is. De directie stelt in haar verweer dat klaagster niet wist dat ze de sigaretten zou ontvangen, maar ze deze toch
heeft aangenomen. De directie betwist dus niet dat er geen voorafgaande afspraak bestond tussen klaagster en de betrokken medegedetineerde over de afgifte van de sigaretten. Waarom de
sigaretten werden afgegeven, is niet duidelijk. De klachtencommissie acht het echter niet afdoende aangetoond waarom het handhaven van de orde en veiligheid een tuchtsanctie voor klaagster
gebiedend rechtvaardigde en waarom er geen enkel ander middel kon worden gebruikt om dit te verzekeren. Zo stelt de klachtencommissie vast dat de laatste tuchtsanctie van klaagster dateert van
november 2023. Bovendien blijkt ook niet waarom een andere oplossing in deze zaak, zoals bijvoorbeeld het in herinnering brengen van de regels, niet had volstaan.
De klacht is om deze drie redenen gegrond
De klacht gaat over de beslissing van 19 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klaagster een tuchtsanctie werd opgelegd.
Het RAD van 14 september 2024 (feiten van 18u20) op basis waarvan ten aanzien van klaagster een tuchtprocedure werd ingesteld, luidt als volgt:
“Net voor de mis zou starten, zie ik dat bovengenoemde de rij net voor mij plaats neemt. [Medegedetineerde], die al neer zat, draait zich om en geeft 3 sigaretten in de rechterhand van
bovengenoemde”.
Klaagster werd over deze feiten gehoord op de tuchtzitting van 19 september 2024, met bijstand van haar advocaat. Op deze tuchtzitting stelde klaagster dat zij niets had afgesproken met de
medegedetineerde. Deze medegedetineerde zou spontaan iets gegeven hebben aan haar. Klaagster heeft dit dan direct afgegeven aan de beambte, die ‘dank u wel’ zou gezegd hebben.
In de bestreden tuchtbeslissing werd één tuchtinbreuk van tweede categorie aangekruist, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Klaagster
werd gesanctioneerd met één week een verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband, meer specifiek één week individuele
wandeling (en dus de uitsluiting aan de gemeenschappelijke wandeling).
De klachtencommissie wijst er vooreerst op dat de directie niet aan zorgvuldige feitenvinding heeft gedaan. Klaagster vermeldde op de tuchtzitting dat zij de overhandigde sigaretten onmiddellijk
heeft afgegeven aan de beambte. Het RAD zelf is summier. In het RAD wordt deze afgifte helemaal niet vermeld. Het al dan niet spontane karakter van de afgifte kan zodoende niet uit dit RAD worden
afgeleid. De spontaneïteit van de afgifte was in dit dossier volgens de klachtencommissie van aanzienlijk belang. Het al dan niet spontante karakter van de afgifte is naar het oordeel van de
klachtencommissie immers van doorslaggevend belang voor het schuldig verklaren van klaagster aan de haar ten laste gelegde feiten. Indien ontvangen goederen immers onmiddellijk worden
afgegeven aan een beambte, is er volgens de klachtencommissie niet per definitie sprake van het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
De klachtencommissie wijst er ten tweede op dat de tuchtbeslissing onvoldoende werd gemotiveerd, meer specifiek wat betreft de opgelegde bijzondere tuchtsanctie. Klaagster blijkt de sigaretten te hebben ontvangen net voorafgaand aan de misviering. Als sanctie kreeg zij één week individuele wandeling. Wat het verband is tussen deze sanctie en de aard of omstandigheden van
de tuchtinbreuk, blijkt niet uit de motivering van de tuchtbeslissing.
De klachtencommissie wijst er ten derde op dat de tuchtbeslissing niet subsidiair is. De directie stelt in haar verweer dat klaagster niet wist dat ze de sigaretten zou ontvangen, maar ze deze toch
heeft aangenomen. De directie betwist dus niet dat er geen voorafgaande afspraak bestond tussen klaagster en de betrokken medegedetineerde over de afgifte van de sigaretten. Waarom de
sigaretten werden afgegeven, is niet duidelijk. De klachtencommissie acht het echter niet afdoende aangetoond waarom het handhaven van de orde en veiligheid een tuchtsanctie voor klaagster
gebiedend rechtvaardigde en waarom er geen enkel ander middel kon worden gebruikt om dit te verzekeren. Zo stelt de klachtencommissie vast dat de laatste tuchtsanctie van klaagster dateert van
november 2023. Bovendien blijkt ook niet waarom een andere oplossing in deze zaak, zoals bijvoorbeeld het in herinnering brengen van de regels, niet had volstaan.
De klacht is om deze drie redenen gegrond