KC05/24-0323
Ongegrond
KC - Brugge
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
BEZOEK
De klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis van Brugge tot weigering van binnenhuisbezoek tussen klaagster en een medegedetineerde.
De klachtencommissie brengt in herinnering dat het ‘binnenhuisbezoek’, zijnde het bezoek tussen twee gedetineerden, geen in de Basiswet voorziene vorm van bezoek betreft. Aanvaarden dat binnenhuisbezoek een recht is, zou erop neerkomen dat alle in artikel 58 tot en met
artikel 63 Basiswet opgenomen bepalingen onverkort van toepassing zijn op alle gedetineerden die bezoek wensen van een andere gedetineerde. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat een dergelijk recht voortvloeit uit de Basiswet of de bedoeling was van de wetgever, reden waarom zij aanvaardt dat het binnenhuisbezoek op heden een ‘gunst’ betreft en geen recht. Wie binnenhuisbezoek wil met zijn gedetineerde partner dient, wanneer dit een relatie betreft die werd begonnen na de detentie, een duurzame relatie aan te tonen van drie maanden. Deze voorwaarde wordt ook zo vermeld op het aanvraagformulier. Dat de voorwaarde van ‘drie maanden duurzame relatie’ dan ook begrepen moet worden als een partnerrelatie, is duidelijk.
De klachtencommissie acht de bestreden beslissing wettig, redelijk en billijk. Klaagster stelt dat zij al drie maanden schrijft met de betrokken medegedetineerde. Zij toont niet aan dat zij al op een vroeger moment dan 22 augustus 2024 een duurzame partnerrelatie zouden hebben. Zij stelt in haar klachtenformulier expliciet dat zij elkaar na drie maanden hebben opgegeven als partner. Dat de directie dit moment dan ook als startdatum van de (partner)relatie heeft genomen en zij het binnenhuisbezoek ten vroegste vanaf drie maanden na deze datum mogelijk acht (22 november 2024), valt binnen haar – in dit kader ruime – discretionaire bevoegdheid.
De klacht is niet gegrond.
De klacht gaat over de beslissing van de directie van de gevangenis van Brugge tot weigering van binnenhuisbezoek tussen klaagster en een medegedetineerde.
De klachtencommissie brengt in herinnering dat het ‘binnenhuisbezoek’, zijnde het bezoek tussen twee gedetineerden, geen in de Basiswet voorziene vorm van bezoek betreft. Aanvaarden dat binnenhuisbezoek een recht is, zou erop neerkomen dat alle in artikel 58 tot en met
artikel 63 Basiswet opgenomen bepalingen onverkort van toepassing zijn op alle gedetineerden die bezoek wensen van een andere gedetineerde. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat een dergelijk recht voortvloeit uit de Basiswet of de bedoeling was van de wetgever, reden waarom zij aanvaardt dat het binnenhuisbezoek op heden een ‘gunst’ betreft en geen recht. Wie binnenhuisbezoek wil met zijn gedetineerde partner dient, wanneer dit een relatie betreft die werd begonnen na de detentie, een duurzame relatie aan te tonen van drie maanden. Deze voorwaarde wordt ook zo vermeld op het aanvraagformulier. Dat de voorwaarde van ‘drie maanden duurzame relatie’ dan ook begrepen moet worden als een partnerrelatie, is duidelijk.
De klachtencommissie acht de bestreden beslissing wettig, redelijk en billijk. Klaagster stelt dat zij al drie maanden schrijft met de betrokken medegedetineerde. Zij toont niet aan dat zij al op een vroeger moment dan 22 augustus 2024 een duurzame partnerrelatie zouden hebben. Zij stelt in haar klachtenformulier expliciet dat zij elkaar na drie maanden hebben opgegeven als partner. Dat de directie dit moment dan ook als startdatum van de (partner)relatie heeft genomen en zij het binnenhuisbezoek ten vroegste vanaf drie maanden na deze datum mogelijk acht (22 november 2024), valt binnen haar – in dit kader ruime – discretionaire bevoegdheid.
De klacht is niet gegrond.